Creatief Schrijven I (Het Koorenhuis, oktober 2009-januari 2010)
Barsten van geweten
Hij is wakker voordat de wekker afgaat. Zachtjes, om zijn vriendin niet wakker te maken, kruipt hij uit bed. Het is nog donker, maar hij voelt zich verbazingwekkend fit vandaag. Hij loopt naar de wijde open keuken en gluurt even door een kier tussen de gordijnen voor de grote ramen. Paarsroze wolken die nog net niet genoeg zonlicht doorlaten om het water te laten glinsteren. Ja, dat is een van de redenen waarom ze dit huis hebben gekocht.
Eerst maar eens koffie. Het glimmende espresso-apparaat, dat hij altijd zorgvuldig schoonmaakt, staat aan de andere kant van de keuken, midden op het aanrecht. Maar hij houdt dan ook van goede koffie, niet van die slappe bakkies die naar kattenpis smaken. Hm, geen bonen meer. En de zak Lavazza-bonen – je zal maar zonder komen te zitten – staat niet zoals gewoonlijk naast het apparaat. Is Maartje soms weer bezig geweest de boel opnieuw in te richten? Hij opent een keukenkastje.
– ‘Wat zoek je?’
Hij draait zich met een ruk om. Maartjes bruine haar zit in de war en haar ogen kijken hem slaperig aan alsof ze in allerijl uit bed is gesprongen. Ze hoeven toch niet per se samen te ontbijten?
– ‘Ook goeiemorgen. Wil je niet uitslapen?’
Ze geeuwt. ‘Ik ontbijt liever samen met jou.’
Hij kijkt in het keukenkastje. Wat zoekt hij? Hij pakt een kom en zet hem op het aanrecht. Hij opent de grote Amerikaanse koelkast, pakt de yoghurt en zet hem op tafel. Het is een oude houten tafel die om de zoveel tijd geolied moet worden. En even geschuurd, ziet hij, want er zitten twee rode kringen op van wijn. Ja, hij houdt van mooie spullen. Gelukkig word je toch niet. Tenminste, de meeste mensen die hij kent zijn dat niet. Dus dan kan je maar beter zorgen dat je zelf het leven wat makkelijker maakt.
Hij draait zich om, opent het keukenkastje, pakt een kom en gaat aan tafel zitten.
– ‘Muesli?’ vraagt Maartje
– ‘Oh ja, tuurlijk.’
Ze pakt de kom en de muesli die op het aanrecht staan en gaat naast hem zitten.
– ‘Koffie?’ vraagt hij, terwijl hij opstaat en naar het espresso-apparaat loopt. ‘Hé, geen bonen. Zijn alle bonen op? Waar is de zak?’
– ‘Wacht maar,’ zegt ze, ‘laat mij maar.’
Hij kijkt naar buiten over het water. Een paar golfjes breken het oppervlak onder een stralende middagzon. Wanneer hebben ze voor het laatst voor het huis gezeten om daarvan te genieten, met een goede fles wijn? Hij kan het zich niet heugen. Dan is het zeker te lang geleden. Hij opent het raam om de warme zon binnen te laten, maar in plaats daarvan blaast een kille herfstbries de keuken in.
De bel gaat. Verstoord draait Joost zich om. Ze verwachten toch niemand? Als het een van die verkopers is die eerst voor je deur staan te roken en hun peuken op de grond achterlaten, dan zal hij hem eens flink in de zeik nemen. In een paar stappen loopt hij door de keuken.
Stemmen in de gang. Nick, de eigenaar van het Italiaanse cafeetje op de hoek, en Maartje, in een stevige omhelzing.
– ‘Hé, Nick, man, tijd niet gezien! Maak je het niet te gezellig met mijn vriendin?’
De twee laten elkaar snel los en Nick antwoordt: ‘Ik zou niet durven, dat weet je toch?’ De grote blonde man kijkt Maartje van opzij aan terwijl hij het zegt.
– ‘Gelukkig maar, want ik zou jullie allebei niet kunnen missen! Dan moet ik in mijn eentje die fles wijn opdrinken die ik ga openmaken.’ Maartjes gezicht betrekt. Heeft hij iets verkeerds gezegd? Nick zegt niets en haalt zijn schouders op.
Hij loopt naar de open keuken, waar het koud is. Een verdwaald herfstblaadje dwarrelt naar de grond. Waarom staat het raam wagenwijd open?
– ‘Waarom staat het raam open?’ vraagt Maartje, maar ze lijkt geen antwoord te verwachten en doet het snel dicht. Nick loopt achter haar aan de keuken in.
– ‘Nick, jongen, leuk dat je er weer eens bent! Alles goed met de zaak? Je hebt niet meer zoveel tijd voor ons, hè, nu het zo goed loopt. Wil je wat drinken?’
Joost hurkt voor het wijnrek en fronst. Alle vakken zijn leeg, dat is nog nooit voorgekomen. Is dit soms een grap? Langzaam staat hij op en kijkt de keuken rond. Hij heeft het gevoel dat er iets ontbreekt. Waarom hebben ze ook niet voor glazen deurtjes gekozen toen ze de keuken lieten inrichten?
– ‘Joost, Nick is er. Waarom ga je niet zitten, dan zetten wij even een lekker kopje koffie.’
Maartje en hij zitten tegenover elkaar, Nick tussen hen in aan de korte kant van de tafel. Het eten is heerlijk, huisgemaakte pasta en alleen verse ingrediënten, op zijn Italiaans. Altijd als Nick komt eten, komt het er eigenlijk op neer dat hij voor hen kookt.
– ‘Waarom maak je geen restaurant van je café? Ik ken niemand die zo lekker kan koken. Behalve Maartje en ik dan, als we afspreken dat een van ons de baas mag spelen.’
Hij schudt zijn hoofd: ‘Pure zelfbescherming. Ik ben bang dat ik het dan als een verplichting ga voelen, dat ik er dan geen plezier meer in heb. En dan heb ik natuurlijk niet zomaar tijd meer om een beetje voor jullie te zorgen.’ Hij glimlacht, maar het klinkt niet helemaal als een grapje.
– ‘Gelukkig kunnen we ook voor onszelf zorgen. Let maar eens op.’ Joost lacht hard en kijkt in de grote pan die op tafel staat. Pasta, hmm, daar lust hij wel wat van. Het lijkt niet veel voor drie goede eters, maar dat is altijd zo met die grote pastapannen. Trouwens, hij heeft toch niet bijzonder veel honger vanavond. Hij pakt de opscheplepel.
– ‘Nee, Joost. Je hebt genoeg gehad.’ Maartje pakt de lepel uit zijn hand terwijl hij haar verbaasd en geërgerd aanstaart.
– ‘Waar heb je het over, genoeg gehad? Ik heb nog niet eens opgeschept.’
– ‘Jawel, Joost, dat heb je wel! Kijk voor je op tafel!’
Hij kijkt voor zich op tafel. Daar staat een leeg bord, met nog een paar vegen rode pastasaus. Dat kan niet van hem zijn.
– ‘Dat is niet van mij.’ Als hij opkijkt, ziet hij een traan over Maartjes wang lopen. Nick ziet bleek en kijkt hen om beurten aan.
– ‘Van wie dan, Joost, van wie dan? Hoe kun je nou niet voelen dat je al gegeten hebt, dat je twee borden pasta naar binnen hebt gewerkt zelfs? Je hebt genoeg gehad! We hebben allemaal genoeg gehad.’
Verbouwereerd gaat hij achterover zitten.
Het is een tijdje stil aan tafel. Maartje kijkt strak de andere kant op naar het water buiten en Nick schuift met zijn vork een stukje pasta op zijn bord heen en weer.
– ‘Goh,’ zegt Joost, ‘is er soms iemand doodgegaan, ofzo. Zullen we maar eens lekker opscheppen?’ Hij trekt de grote pan naar zich toe en pakt de opscheplepel.
– ‘Nee!’ schreeuwt Maartje en begint dan onbedaarlijk te snikken met haar gezicht in haar handen. Nick legt een hand op haar schouder en kijkt alsof hij zijn arm om haar heen wil slaan om haar te troosten, maar trekt dan opeens wit weg, schuift ruw zijn stoel naar achter en rent richting het toilet.
Stemmen in de gang. Joost loopt in een paar stappen de keuken door. Daar staan Nick en Maartje, hij slaat ze vanaf het eind van de gang gade. Nick ziet eruit alsof hij net iets verkeerds heeft gegeten, zij alsof ze heeft gehuild. Waarom? Hij vangt iets op van hun gesprek.
– ‘…spijt me. Mijn maag raakt gewoon overstuur van deze hele situatie. Ik kan het gewoon niet meer aanzien…’
– ‘Nee, het ligt niet aan jou, ik weet wat je bedoelt. Ik probeer het constant te relativeren, maar het wordt alleen maar moeilijker. Ik weet niet hoe lang ik dit volhoud. Oh, Nick, als jij er niet was… maar wat moet ik dan? Ik kan hem niet alleen laten.’
Wat bedoelden ze, hij snapt het niet. Opeens staat hem niet aan hoe dicht ze bij elkaar staan, hoe vertrouwd ze met elkaar praten. Is hij blind geweest voor iets wat zich voor zijn neus heeft afgespeeld? In zijn eigen huis? Hij kan zich geen enkele aanwijzing voor de geest halen, maar waarom zou hij ook. Hij vertrouwt Maartje volledig. Hij moet weten wat er aan de hand is.
– ‘Nick, Maartje, wat is er in godsnaam aan de hand?’ Zijn stem klinkt hard, het is nauwelijks een vraag. Geschrokken kijken de twee op, maar het blijft stil.
– ‘Joost, alsjeblieft,’ begint Maartje, ‘dit is niet wat je…’
– ‘Nee, wacht.’ Nick geeft haar een waarschuwende blik. ‘Joost, wat bedoel je? Ik ben bang dat de zeevruchten in de pasta niet goed meer waren. Ik heb net alles eruit gekotst. Echt, ik voel me klote. Wil je misschien een glaasje water voor me halen?’
– ‘Een glaasje water?’ Hij heeft het gevoel dat hij om de tuin wordt geleid. Maar misschien komt dat verontruste gevoel doordat zijn maag ook van streek is. ‘Ja, tuurlijk, wacht maar even.’ Aarzelend loopt hij weg.
In de keuken kijkt hij om zich heen. De lege borden op tafel, het espresso-apparaat zonder de zak bonen ernaast, het wijnrek zonder flessen – er klopt iets niet. Wat heb je aan mooie spullen als er iets aan ontbreekt? Hij gaat aan tafel zitten en kijkt in de pan. Pasta, lekker. Hij pakt de opscheplepel, schept een portie op en begint net te eten als Maartje binnenkomt.
– ‘Jezus, Joost, kun je alsjeblieft stoppen met eten? Je bent al genoeg aangekomen de laatste tijd.’
Hij kijkt vlug even naar zijn buikje dat inderdaad zijn broekrand verbergt. Aan de andere kant, ze houden toch allebei van lekker eten en drinken? ‘Dat moet jij nodig zeggen, Maartje, alsof jij nog de slankste bent. Moet je zien wat een dikke pens je hebt gekregen!’
Beschermend legt ze haar hand op haar buik terwijl de emoties over haar gezicht schieten, woede, verdriet, onmacht. Ze zakt neer op een stoel.
– ‘Ik ben zwanger, Joost.’
Hij stopt met eten.
– ‘Wat, zwanger? Wanneer… hoe lang al? Waarom heb je me niets verteld? Jezus Christus.’
– ‘Ik heb het je wel verteld, Joost, alleen…’
– ‘Wat een bullshit, alsof ik zoiets zou vergeten! Zwanger. Weet je het zeker? Heb je een test gedaan?’
– ‘Natuurlijk heb ik een test gedaan.’
Hij staart haar ongelovig aan. Als het waar is, waarom heeft ze het dan niet eerder verteld? Ze kijkt hem aan met rode ogen en rode wangen, bijt op haar lip. Moet hij nu blij zijn? Is hij er klaar voor om een vader te zijn? Zijn oog valt op de twee wijnkringen op de tafel en de twijfel slaat toe. Hij wijst: ‘Kun je me dan vertellen wat dit is? Wil je zeggen dat je drinkt terwijl je zwanger bent? Je weet dat ik er nooit van hou om in mijn eentje te drinken!’
– ‘Dat is niet van mij. Dat is van jou en Nick.’
Nick. Er is iets met Nick, iets wat hij moet weten, maar het ontglipt hem. Hij weet zeker dat het belangrijk is, en dat het hem niet aanstaat. ‘Wat heeft Nick hiermee te maken?’
– ‘Hè? Niets. Je vroeg toch zelf…’
Hij staat zo plotseling op dat zijn stoel met een klap omvalt. Haar buik. Nick die vlakbij haar staat. Te vertrouwd. En nu zwanger.
– ‘Het is niet van mij, hè? Het is van hem, onze grote trouwe vriend. Nick, die zo lekker kan koken. Nick, die altijd voor ons klaarstaat, vooral voor jou klaarstaat blijkbaar.’
– ‘Joost, stop! Je weet niet waar je het over hebt. Ja, Nick is een van de weinigen waar ik op kan bouwen, maar ik zou nooit…’
– ‘Ach, hou je bek. Ik heb jullie wel gehoord, je moet niet tegen me liegen.’ Hij begint te ijsberen en schudt zijn hoofd.
– ‘Gehoord? Wat bedoel je?’
– ‘In de gang, toen jullie het erover hadden – ik vind het zo moeilijk, oh Nick, als ik jou niet had...’
– ‘Heb je dat echt gehoord, ik bedoel, weet je dat nog?’ Ze kijkt hem met grote ogen aan. Wat reageert ze vreemd, bijna blij, alsof ze deze idiote situatie is vergeten.
– ‘Ja, wat denk je dan, dat ik doof ben? Ik ben niet doof en ook niet dom. Maartje, hoe kun je me dit aandoen, verdomme?’
– ‘Het is niet van Nick, het is jouw kind! Ons kind!’ De tranen springen haar in de ogen, maar niet alleen van verdriet, ook met een sprankje hoop, lijkt het. Hoop waarop? Dat hij dit verhaal zomaar zal accepteren?
– ‘En dat moet ik geloven?’
– ‘Kun je je dan niet meer herinneren? Wacht, onthoud alles wat je zonet zei.’ Ze staat op om naar de gang te lopen, maar blijft dan staan alsof ze hem niet alleen wil laten. ‘Nick, Nick!’
Er komt geen antwoord. ‘Oh nee, hij is vast een ommetje gaan maken.’ Maartje twijfelt maar heel even en pakt de telefoon. Waar is ze in godsnaam mee bezig? Hij wordt zo boos dat hij niet meer helder kan nadenken. Voor hij het weet heeft hij de telefoon uit haar handen gegrist en op de tegelvloer kapot gegooid. Hij schrikt er zo van dat hij verstijft. ‘Sorry, ik...’ Hij weet niet meer wat hij wilde gaan zeggen en staart in plaats daarvan naar de gebroken stukjes op de grond. ‘Ik weet het ook niet meer.’
Hij houdt Maartje vast, terwijl ze op zijn schouder huilt. Zachtjes strijkt hij over haar rug om haar te kalmeren, maar hij weet zelf niet wat er aan de hand is. Buiten is niets te zien, het is donker. Hij voelt zich opeens verschrikkelijk moe.
Wanneer hij de andere kant op kijkt, ziet hij Nick verslagen in de keuken staan. Hoe is hij zomaar binnengekomen? Het kan hem niet schelen ook.
– ‘Maartje, Nick is er. Waarom ga je niet zitten, dan zal ik even een kopje koffie zetten.’
vrijdag 5 februari 2010
Sander van de Sande
Korte Verhalen I (Het Koorenhuis, oktober 2009-januari 2010)
De Hoed van Jan Doedel
Het trillen van het Swarovski-kristal in de vitrinekast overstemde het geluid waarmee hij zijn drie zoetjes door de thee roerde. Gelijk op met het geweld buiten, trok een donkere schaduw over de plooivitrage. Het licht van de lantaarnpaal werd nu geheel aan het oog onttrokken. ‘Kijk eens Eef, wat dat is...’ zei hij tot zijn vrouw terwijl hij onverschrokken met het lepeltje cirkels in de thee trok. Met tegenzin legde zij haar breiwerk opzij. Zij was juist de pannenlikker-in-wording aan het afkanten. Een moeilijke steek en ze was net vertrouwd geraakt met het ritme van de pennen. De wortelnotenhouten fauteuil kraakte bij het opstaan. Ook dat opstaan ging niet meer zoals vroeger. Ze trok de vitrage een stukje opzij om beter zicht te krijgen. Het geronk hield aan. ‘Een vrachtauto, lief. Eentje met een grote schotel op het dak.’ Zonder bril lieten de letters op de zijkant zich niet makkelijk lezen. ‘Ik denk van de tv.’ ‘Van de tv?’ Nu stond haar echtgenoot zelf op. ‘Ga eens uit de weg, schat.’ Met grote ogen keek hij naar buiten. Verrek, het was inderdaad een vrachtauto. ‘NOS’ stond er in grote letters op de zijkant te lezen. Is het tenminste nog een fatsoenlijke omroep, dacht hij nog. Het had ook SBS kunnen zijn. Later zou hij vertellen dat de komst van de tv in de Ananasstraat hem allerminst verraste. ‘Je wil niet weten wat ze hier allemaal de buurt in halen!’ Maar op dit moment was zijn hoofd een groot vraagteken.
Buiten haalden mannen in witte bodywarmers kabels uit de wagen. Dikke strengen die de Ananasstraat met de wereld zouden verbinden. Statieven werden opgezet, lichtpunten aangesloten. De vrouw had de binnenverlichting inmiddels gedoofd, zodat het uitzicht niet werd gehinderd door de weerspiegeling van het glas. Even telden de vette vingers op de ramen niet meer. ‘Alsjeblieft geen Postcodeloterij,’ prevelde de echtgenoot, turend naar bekende gezichten. ‘Dat is op RTL.’ De zucht die hij slaakte, leek een zucht van verlichting.
Met stijgende verbazing was echtpaar Van der Sloot er getuige van hoe voor de portiek van hun doorgaans rustige flat een waar mediacircus uit de grond werd gestampt. Aan de andere kant, buiten het zicht van de VanderSloots, werd de straat gebarricadeerd door lichtere busjes van RTL en jawel: SBS. Mevrouw Van der Sloot kon nog net een gilletje bedwingen toen zij de eerste nieuwscoryfeeën op haar vizier kreeg. Op zoek naar het mooiste shot pal voor het rijtje brievenbussen. ‘Kijk, is dat niet Max Westerman?’ ‘Grr,’ gromde haar man. De bovenburen zouden beweren dat ze een ingehuurde nieuwshelicopter hoog in de lucht, cirkelend als een gier boven zijn toekomstige prooi, hadden gehoord.
Twee uur eerder en zonder te zijn opgemerkt door het scherpe gehoor van de bovenburen, schikte Claire van ‘Den Haag Infokanaal’ haar haar nog even in het spiegelende glas van de camera. Vervolgens trok ze haar truitje nog wat strakker zodat haar trotse borstpartij nog duidelijker in beeld zou komen. Een beetje nervositeit was haar wel aan te zien. In haar carrière had ze wel meer grote gebeurtenissen mogen verslaan. De intocht van de koningin in Lutjebroek, de onthulling van de buitenissige dienstreis van burgemeester Spoorstra in Appelscha. Maar dit was toch echt andere koek. Ronald, chef redactie, had haar vooral op het lijf gedrukt om haast te maken. Op deze ‘scoop’ zat heel Nederland te wachten. NOS, RTL en SBS waren al onderweg. De tijd dat hun sterreporters nodig hadden om uit hun Amsterdams bed te komen, was de voorsprong van Den Haag Infokanaal. Vragen komen later wel. En juist het feit dat ze veel vragen had, maakte Claire nerveus. Hè, nu begon haar vervelende zenuwtic weer op te spelen; haar linkerwenkbrauw maakte af en toe een ongecontroleerde beweging. Drie maanden tweewekelijks de training ‘Ratten en angsthazen voor de camera’ gevolgd en nog geen profijt! Maar vooruit, zoals ze geleerd had, haalde ze diep adem. ‘Voel de aarde onder je voetzolen, en voel hoe je adem, rustig en als vanzelf daarheen beweegt en helemaal in balans als vanzelf weer terugkomt. Maak contact met je zonnevlechtchakra.’ Zucht... ‘Kunnen we Sjors?’ Sjors, de cameraman, knikte. Hij had vaker met Claire gewerkt. Elk ander gebaar zou fout zijn. Het zou niet de eerste keer zijn dat hij haar een provinciaalse verlegenheidsblos had bezorgd om die vervolgens in de kleurcorrectie te moeten wegwerken. ‘Vier, drie, twee, een.... Actie, camera loopt!’ Strak staarde Claire nu het publiek voor de tv aan. Nu de camera liep was haar nervositeit verdwenen en met professionele stem, waaruit toch een groot inlevingsvermogen bleek, zei ze: ‘Zojuist is bekend geworden dat de hoed van Jan Doedel is weggewaaid...’
Het zal ongeveer als volgt gegaan zijn. Enkele luttele uren voordat Claire het nieuws wereldkundig maakte en de Ananasstraat voor altijd op de kaart zou zetten, speelde de wind tikkertje met de stad. De bomen die hun herfstblad tot dan toe angstvallig hadden weten vast te houden, werden één voor één geraakt. Lijdzaam moesten ze toezien hoe hun bladeren wiegend naar de kille stoeptegels werden geblazen. Plagerig bracht de wind enkele fietsers die zich nog op straat hadden gewaagd, in ademnood om ze enkele tellen later weer los te laten. Zij zocht zich een weg door de stad, wrong zich tussen de portiekwoningen aan het Perzikplein, verhief zich boven de Sinaasappelstraat en dook langs de flats aan de Ananasstraat. Daar vond zij haar onwillig slachtoffer Jan Doedel, juist op de terugweg van zijn werk als Eerste Factuurcontroleur Binnenland bij een niet nader te noemen bank- en verzekeringsconcern. Genadeloos liftte de wind de innig met Jan Doedel verstrengelde, haast vergroeide hoed van het hoofd. In een poging terug te nemen wat van hem was, zette hij de achtervolging in. Deze moest hij echter staken toen hij struikelde over een losliggende stoeptegel, waarna de hoed uit het zicht verdween.
De onfortuinlijke actie werd gevolgd door Roef Noorderligt vanuit zijn zilvergrijze Nissan Sunny. Met zijn met een 300 mm 16 px Telescooplens uitgeruste Canon 800 D egx-fotocamera, loste hij een spervuur van foto’s op de arme Jan af. De scherpstelling moest wel te lijden hebben onder de sigarettenwalm in de Nissan, waarachter Roef zich onzichtbaar waande. Dit was één van die zeldzame momenten in zijn werk waarbij zijn bloeddruk steeg en zijn tong met een sliertje speeksel uit de met vet en paprikapoeder bedekte lippen glipte. Zo had hij zich het detectivewerk voorgesteld. Toen de Jan-nu-zonder-hoed onverrichter zake zijn flat binnentrad, griste een tevreden Roef, tussen de lege chips- en Zonnatura natuurlijke Yoghurtdrinkverpakkingen, naar zijn telefoon, een bakbeest uit de tijdperk voor de uitvinding van de sms. Maar ze had hem met haar oerdegelijke haast Oost-Duitse makelaardij nog nooit in de steekgelaten. Tot dan toe was Roef zich nog volledig onbewust van de impact van wat hij zojuist gezien had.
Vijf kilometer verderop harmonieerde in Hotel des Indes de salonmuziek van viool, cello en piano met klassiekers als Ewige Liebe en Salut d’Amour met de op gedempte toon gevoerde conversaties. Af en toe onderbroken door een ietwat storend lachsalvo van een ongetwijfeld Amerikaans gezelschap dat aan een tafel aan het uiteinde van de zaal zat. De temperatuur in Des Indes was als van een bejaardentehuis met Kerstmis. Op deze historische plaats waren sinds 1881 vele beroemdheden ontvangen, die genoten van het lekkerste des levens. Obers zwierden luchtig langs de met damast gedekte tafels. Het tafelzilver, de kristallen glazen en de kroonluchters schitterden om het even.
Jacques J. de la Montaigne (eigenlijk Jan van de Berg) was erg ingenomen met zichzelf. Jacques was als zelfbenoemd public relations-goeroe, berucht omdat hij altijd in de schaduw van de media opereerde. Zijn fijngeslepen voelsprieten voor publiciteit en het vermogen om altijd zijn zin door te drijven, hadden hem bepaald geen windeieren gelegd. Jaguar, pied à terre in Blaricum, etage in grachtengordel. ‘Om in luchtbellen te kunnen denken, moest je ballonnen leren blazen,’ zei hij altijd. Het betekent niets, maar hij was er wel groot mee geworden. Nu stond zijn nieuwe campagne op het punt gelanceerd te worden. Nog even en de naam Jan Doedel zou op ieders tong liggen.
En nu zat hij dan ook nog eens tegenover Lola Vampirosa. De natte droom van iedere man. De actrice die zich langs broeierige hotelkamers naar boven had gewerkt tot een actrice waar regisserend Nederland niet meer omheen kon. Naast haar naar voren springende kwaliteiten, bleek zij ook gevoel voor dramatiek te bezitten en bleek zich staande te kunnen houden in serieuze rollen. Hoewel zij door heel het land (althans het mannelijk deel ervan) op handen gedragen werd, had zij door haar achtergrond nooit toegang kunnen krijgen tot de ‘Beau Monde’ van cultuurminnend Nederland. Zij hoopte dat Jacques haar toegangskaartje zou zijn. En dus zat zij nu tegenover hem in de overweldigende grandeur van het Des Indes. Vampirosa die onuitwisbare lipstickafdrukken op het kristal kleurde. Vampirosa die erotisch haar kreeft uitlebberde.
Hoewel hun samenkomst geen enkel verband met Jan Doedel kende, maakte de gedachte dat zij misschien een rol in de campagne zou kunnen vervullen Jacques plotseling opgewonden. Het idee dat Vampirosa bereikbaar was voor iedere Jan Doedel was de kers op de taart. Maar hoe legde hij dit er niet duimendik bovenop? Toch had hij er alle vertrouwen in dat hem dit ging lukken. Jacques lukte alles op het gebied van Personality Branding (hoe breng je afgeserveerde kneuzen als warme kroketten over de toonbank). Wie mensen kan bespelen, beheerst de wereld. Wie meer mensen kan bespelen beheerst de wereld meer. Daarvoor was het nodig om in te prikken op de kleine dingen die het succes bepaalden. Het vlindereffect. De vleugelslag van een vlinder, kan door een onnavolgbare keten van oorzaak en gevolg een storm op een ander continent ontketenen. In een niet te beheersen chaos worden feit en fictie vermengd. Slechts degene die zich in het middelpunt van de storm bevindt, houdt stand. En daarbij draaide alles om details. Hoge ogen had hij gegooid met zijn idee om een onbetekende politicus aan de waterstofperoxide te brengen. Geniale afleidingsmanoeuvre voor een gebrek aan inhoud. Een nieuwslezer had hij leren stotteren. Het ontberen van journalistieke kwaliteiten gecompenseerd door plaatsvervangende schaamte. Een uitgerangeerde B-zangeres stimuleerde als jurypanellid in een landelijke talentenjacht de verkoop van incontinentiemiddelen. Met haar optreden wist zij een geheel nieuwe doelgroep aan zich te binden. Volgens sommigen had hij zwarte Piet aan Sinterklaas gekoppeld, maar daar wilde hij zelf geen uitspraak over doen.
Het ensemble zette een tango in. Vampirosa liet schijnbaar achteloos haar hoge hak over zijn Van Bommelschoen glijden. En terwijl haar vinger langs haar lip streek en met een blik die door een tolk, met ogen van -8, op maar één manier vertaald kon worden, lispelde ze ‘Oeps, hi hi.’ Op dat moment klonk de Superman titelsong. Zelfs de Amerikanen keken verschrikt op. Met de bekende vanzelfsprekendheid van iemand die het zich kon veroorloven, nam Jacques op. Zijn gêne kon hij verbergen. Het moment waarop Roef belde kwam niet bepaald gelegen. Maar de intonatie waarop Roef lijzig erop aandrong om niet meteen op te hangen, verraadde dat er iets mis was. Jan Doedel kaal? Kaal? De neuronen in zijn hersenen leken de axonen niet meer te kunnen vinden. Combinaties van waarschijnlijkheden flitsten door zijn hoofd. Het balletje op de roulettetafel waarop Jacques speelde rolde dit keer niet zijn kant op, maar was als een sneeuwbal die steeds sneller de gletsjer afrollend, zijn kant opkwam. Details, Details daar ging het hem om. En dan hield hij niet van dit soort onaangekondigde verrassingen. Hij zat op de stoel van de regisseur, de dirigent van het orkest, de poppenspeler met de mensheid in de hand. De wereld regeren is haar controleren. In die wereld paste geen kale Jan Doedel. Een kale Jan Doedel had een identificatiefactor van 0,7 op een schaal van 5. Dat betekende dat het Nederlands publiek zich niet zonder meer met Doedel kon identificeren. Geen voorbeeldige buurman, geen Amerfoortse schoonzoon. Al was 0,7 niet eens zo heel laag; voor het slagen van de campagne ging hij uit van een identificatiefactor van 4. Dat is 600% zo veel! Niet dat kale mensen minder zijn, maar voor deze campagne mochten ze worden afgeschoten. Regeren is controleren. Controleren is regeren. Details, details daar ging het om. Bleek borg hij de telefoon in zijn jacquet op. Vampiros’s plaatsvervangende schaamte voor een telefoongesprek, juist op deze plek, juist op deze tijd, had plaats gemaakt een woede die uit haar ogen stoomde. Hels, en waar elk moment drietanden uit konden schieten. Nog nooit, zelfs niet in haar vroege films, had ze zich zo naakt gevoeld. Toch had ze zichzelf weer in de hand toen ze als volleerd actrice vroeg: ‘Is er iets?’ ‘Ik moet nu weg...’ antwoordde Jacques bleek.
Het zal geen nieuws zijn dat op die dag in de Trèveszaal op het Binnenhof de voltallige Ministerraad bijeen was voor een ingelaste spoedvergadering over een mogelijke inval in Tadzjikistan. De sfeer was bedrukt. Niet zozeer door het onderwerp, als wel doordat de meeste ministers hun avondlijke borrelactiviteiten hadden moeten afzeggen. De minister van Onderwijs peuterde met een potlood in zijn oor. Economische Zaken en Landbouw speelden onder een hoedje heimelijk boter-kaas-en-eieren. De zaal was warm en de lucht als altijd bedompt, omdat het uit staatsveiligheidsoverwegingen niet was toegestaan de ramen open te zetten.
In deze ongeïnspireerde omgeving, was het aan de minister van Defensie, die toch al niet als snedig bekend stond, de taak om alle handen op elkaar te krijgen. Als steun in de rug hadden zijn generaals voor hem een Powerpointpresentatie in elkaar geknutseld. ‘Tadzjikistan vormt een belangrijk veiligheidsrisico voor de Nederlandse staat’, zo las hij op. ‘Het heeft bergen, waar terroristen zich kunnen verschuilen.’ ‘Zullen we dan ook Oostenrijk binnenvallen?’ ginnegapte de minister van Ruimtelijke Ordening. ‘Orde, orde!’ hamerde de minister-president. ‘Als we zo gaan beginnen, kan het nog wel eens een latertje worden...’ Dit was voldoende. ‘Daarnaast is Tadjzikistan islamitisch,’ vervolgde Defensie.
Op één na knikten alle ministers instemmend. De minister van Defensie keek de grote tafel rond. De manier waarop hij één voor één zijn collega’s in ’t vizier nam, langzaam met zijn vingers door zijn stoppelbaard strijkend, gaf aan dat hij voor zichzelf al rekende op de overwinning. ‘Zijn er nog vragen?’
Tegen de verwachting in, nam de minister van Sociale Zaken het woord: ‘Is zo’n missie niet gevaarlijk?’ Defensie schraapte de keel. ‘Uhm, de Amerikanen hebben ons een gebied toegewezen waar enkel nog vrouwen en kinderen wonen. Met ons modernste materieel denken we de bevolking de baas te kunnen. Het wordt een echte opbouwmissie. We nemen alles mee waar nu gebrek aan is: tenten, voedsel, medicijnen en maandverband.’ ‘Wat zijn de vergeldingsacties van de Amerikanen als we deze missie niet zouden ondersteunen?’ Weer die vervelende man van Sociale Zaken. De irritatie over diens geldingsdrang begon ook op te spelen bij de overige ministers. ‘Dan trekken ze Mc Donald’s terug uit ons land!’ meesmuilde Economische Zaken. ‘Maar dat kunnen ze niet maken,’ riep de irritante factor uit, nu een beetje wit op de bips. ‘De toegenomen levensverwachting, kunnen we helemaal niet financieren...’ ‘Een bedreiging voor de chemische industrie’, ging Economisch Zaken daaroverheen.’ ‘Onderschat het het educatieve karakter van hun placemats niet,’ haakte Onderwijs aan.
De discussie dreigde te ontsporen. ‘Orde, orde, orde,’ sloeg de premier in ferme klappen op de tafel. ‘Wie nu niet stil is, gaat eruit!’ ‘Zo ver wilden de Amerikanen inderdaad niet gaan, meneer de voorzitter,’ hervatte de minister van Defensie. ‘Onze bondgenoten hebben daarentegen wel gedreigd dat...’ Zijn woorden werden ruw onderbroken door het openslaan van de 18e Eeuwse Franse stijldeuren van de Trèveszaal. De binnenkomende bode reikte zonder woorden de minister-president een briefje aan. Voor de omstanders was alleen het logo van de Rijksoverheid in de linkerbovenhoek te herkennen. De in parmantig handschrift geschreven tekst, die op het lichte papier zacht doordrukte, konden de ministers helaas niet lezen.
Het gezicht van de premier verstrakte. Hij gaf het papier terug aan de bode, stond met zijn gezicht in de plooi langzaam op en trok met een stevige ruk zijn colbert goed. Met een knik naar de overige ministers, sprak hij de nu legendarische woorden: ‘Het landsbelang roept, ik moet u verlaten. Wij zullen de beraadslaging vervolgen als het moment dit toelaat.’ Toen verliet hij de zaal, de overige ministers druk speculerend achterlatend.
Jacques de la Montaigne stond al te wachten. De minister-president vond het ongepast dat hij zomaar het Torentje was binnengelaten, zonder dat de premier eerst gelegenheid had gekregen op de verhoging achter het bureau plaats te nemen. In lange striemen gleden de regendruppels van de leren Mart Visser jas van Jacques J. de Montaigne. Ze lieten vlekken donker als bloed op het rode tapijt achter. Zijn ‘enVolumizing gel’ had de grip op zijn goed gemodelleerde kapsel volledig opgegeven. Zoals hij daar stond leek hij net een schooljongetje dat bij de conciërge voor het te laat binnenkomen een briefje moest ophalen. Deze pose duurde echter maar even. Zodra hij de premier in beeld kreeg, leek hij zijn zelfverzekerdheid te hebben herwonnen.
‘Ha Erik-Jan, goed dat je de vergadering voor me wilde onderbreken. Ik moest het je zeggen. Het kan niet anders... Er lijkt iets fout te gaan met onze strategie.’ Volgens één van Jacques’ eigen stellingen volgt slecht nieuws altijd goed nieuws, maar goed nieuws niet altijd slecht nieuws. Dus het was beter om maar in een vroeg stadium met slecht nieuws voor de dag te komen. De priemende ogen van de premier boorden zich even in de kijkers van Jacques om de ernst van de situatie in te schatten. Hoewel het maagzuur hevige pogingen deed om zijn slokdarm op honderd plaatsen tegelijk te perforeren wist Jacques de blik uiterlijk onbewogen te pareren. De minister-president was aan zet.
‘Mag ik u er even op wijze dat waar u over “onze” strategie spreekt, u deze geheel op uzelf dient te betrekken voor zover ik niets anders gezegd heb!’ sprak deze. ‘Met de verkiezingen voor de deur kunnen wij ons, en dan bedoel ik ons niet in overdrachtelijke zin, geen fouten permitteren. Fouten worden de facto altijd gemaakt door degene die zich niet bewust is van de verantwoordelijkheid. Daar ik verantwoordelijk ben voor mijn herverkiezing kan ik dus per definitie geen fouten maken. Dat betekent dat ik er zorg voor zal dragen dat u de volledige, maar dan bedoel ik ook de volledige, consequenties zult dragen voor welke onvolkomenheid ook. Ik ben geen partij.’
Hier was Jacques al bang voor. ‘U hebt een punt. Maar stop even met die lange zinnen. En luister... Morgen is het D-day, Doedel-dag. Ik zal het nog één keer samenvatten. Morgen ziet heel Nederland prime time op Shownieuws hoe je na 50 jaar herenigd wordt met je enige broer. Meteen daarna is de broer het hebbedingetje geworden voor elk serieus te nemen actualiteitenprogramma, talkshow of spelletjesprogramma. En wat zal blijken? Broerlief, zo van de straat geplukt, voelt zich helemaal thuis in het verkiezingsprogramma van zijn grote broer! Nietszeggend en o zo middelmatig. Miljoenen mannen hebben we onder de loep gelegd. Scans gedaan, doopcelen opgelicht, internet afgestruind, sleutelfiguren benaderd, enquêtes doorplozen, statistici gegijzeld, klantcontactgegevens gecontracteerd, opiniepeilers gepeild, en dan is nog maar het begin. Alles om de ideale man van het midden te vinden. En we hebben hem gevonden! De man die samen met jou alles kan. Het voorbeeldige voorbeeldfiguur. De vriend van iedereen, en dan is dan zomaar familie van je! Het gedroomde duo! Nederland zal jullie in zijn armen sluiten! Weet je het nog? En wat hebben we moeten doen om die man van jou inderdaad familie te laten zijn? Niets dan de werkelijkheid een handje helpen. We geven haar net dat zetje in de rug, dat ze nodig heeft. De brave redactie van dat tuttige maar o zo degelijke kijkcijferkanon “Shownieuws” heeft van ons slechts een paar aanwijzinkjes gekregen. Het overige speurwerk in het door ons “belangeloos” beschikbaar gestelde materiaal hebben ze helemaal zelf verricht. Het was niet altijd goedkoop, maar kijk eens wat voor prachtverhaal er nu ligt! Wie wil de waarheid weten, als de werkelijkheid een sprookje is? En natuurlijk hadden ze best verder kunnen kijken? Maar wie wil dat? Het verhaal is er. Jan Doedel is er, en straks zal ook de nieuwe Jan Doedel er altijd al geweest zijn! Jan zal blij zijn met jou als broer! In de publiciteit geldt: “hoe wijder de rivier, hoe minder bronnen er nodig zijn”...’
– ‘Ja daar hebben we het vaker over gehad! Welke rivier liep over om mij nu uit de Ministerraad te storen, als u me toestaat u in uw zelfgekozen terminologie te parafraseren?’ zei de Minister-president kordaat. ‘Mag ik u vragen uw punt te maken?’
– ‘Ok, zoals ik al veel eerder zei: er gaat iets mis.’ Zelfs voor een alwetende verteller is het onmogelijk om in het hoofd van de minister-president te kijken. Maar het was waarschijnlijk de combinatie van een meer dan gretige oppositie en koele politieke barometer-temperaturen, die hem deed zeggen:
– ‘Is het reden om de campagne terug te draaien?’
– ‘Dat kan onmogelijk!’ zei een gretige Jacques. ‘Het point of no return ligt al hemelver achter ons! De cameraploeg van “Shownieuws” is ingelicht dat de hereniging met uw broer morgenmiddag plaats vindt bij de feestelijke uitreiking door u van de “Werknemer van de maand”-oorkonde aan Jan Doedel Alle andere media zijn getipt dat er daar iets bijzonders staat te gebeuren. Doen we niets, dan kun je volgende keer linten gaan doorknippen bij de vernieuwde badkamer van Jan Jansen. We hebben zendtijd ingekocht bij verschillende huis, tuin- en keukenprogramma’s. Of wil je liever komen vertellen hoe je de biefstuk met gekookte aardappeltjes en erwtjes en worteltjes bereid? En denk aan het geld! Met geld kunnen we de ratten een andere kant opjagen. Maar ik wil je er wel op wijze dat ons budget nu bijna op is. Ik kon nog nauwelijks mijn eigen rekening betalen en vanochtend heb ik de laatste drukproef goedgekeurd. Zware drukpersen zwoegen nu op een oneindige stroom Doedel-campagneposters...’
– ‘Maar wat is er dan aan de hand? Wat gaat er mis?’ riep de minister-president bijzonder on-minister-presidentieel uit. Jacques de la Montaigne nam een diepe zucht en zei:
– ‘Kaal! Jan Doedel is kaal!’
De minister-president gebaarde discreet naar de nog altijd stoïcijns voor zich uitkijkende bode dat het tijd werd om de beveiliging in te schakelen, en wilde zich omdraaien...
‘Wacht nou! Ik zeg je: dat is niet goed. De mensen willen geen kale Jan Doedel. Jan Doedel moet beminnelijk zijn. Ik heb op de foto mijn vingers op zijn hoed gelegd en dan zie je dat zijn kaaklijn te strak is, zijn kin te geprononceerd, zijn neus te recht, zijn ogen te fel. De hoed verzacht dit. Zorgt voor de warme tint op de tv-toestellen van de mensen. Het geef hem iets gedistingeerds. Iets dat hem naast u kan plaatsen. Op elke castingfoto staat die man met een hoed op! Een handelsmerk dat zweemt met de nostalgie van de vorige eeuw. De verzekeringsman die je alles in vertrouwen kan geven. De identificatiefactor... ach, laat maar. Dat mag niet wegvallen, dat kost kijkers! En daarmee stemmen. Publiciteit staat of valt met de aandacht voor details. Veeg de losse kiezels weg voordat je langs de rand van de afgrond wil lopen! Vertrouw me, ik heb ervaring!’
De minister-president woog de alternatieven af. Enerzijds waren de argumenten van De la Montaigne natuurlijk volkomen belachelijk, anderzijds als deze campagne mislukte dan zou dat hem, de minister-president, wel in een bijzonder lastig parket brengen. In zijn politieke wijsheid besloot hij zijn partijpolitieke kroonprins, de Limburger Jos Stevens, tevens minister van Defensie, een rol in het gebeuren te geven. Als hij zou vallen, dan kon hij in ieder geval eerst nog een trap naar beneden geven. Een groot man heeft schouders nodig, die hem dragen.
Vandaar dat de wachtende ministersploeg door de bode werd verrast, en er nog één persoon middenin de bespreking over de inval in Tadzjikistan apart werd genomen. De overige ministers speculeerden er weer lustig op los.
‘Dus als ik het goed begrijp,’ probeerde de minister van Defensie verschrikt, ‘dreigt de herverkiezing van de partij in gevaar te komen? Dat zou een ramp zijn! De stabiliteit van het land is in het geding!’ ‘Ik vrees dat dat de juiste conclusie is,’ zei de minister-president. ‘Wij vertegenwoordigen het belang van het land. En dus is alles wat in ons belang is, in het belang van het land. Het landsbelang staat op het spel. Ik vind dat we moeten ingrijpen, anders zullen de toekomstige generaties ons nooit kunnen vergeven!’ ‘Ik zal kijken wat ik kan doen,’ bracht de minister van Defensie in. En daarmee was de discussie gesloten.
In zijn zilvergrijze Nissan Sunny zat Roef Noorderligt de Speurdersrubriek in de Telegraaf door te nemen. Hij was al langer op zoek naar een nieuwe auto. In ieder geval een sportief model. De gage van deze opdracht bracht zijn wensdroom weer een spoilertje dichterbij. Nu Doedel binnen was, zat zijn dagtaak er praktisch op. Hij hoefde alleen nog maar te wachten tot het licht van Doedels flat, een-hoog derde links, zou doven. Volgens zijn eerdere rapporten zou dat stipt om 22.00 uur zijn. Toen hij juist weer een nieuwe sigaret wilde opsteken en het pakje onder de Sportlife strips en verschimmelde boterhamzakjes niet kon vinden, viel zijn aandacht op een Volvo die hij eerst niet had opgemerkt. De wagen stond in de schaduw van de lantaarnpaal voor de flat van Doedel. De opvallend onopvallende auto leek te worden bemand door twee figuren met hoekige gezichten en kort stekeltjeshaar. Er zat weinig beweging in de mannen. ‘Verdomd,’ dacht Roef, ‘politie!’ (of geheim agenten, dat was hem om het even). Hij wist niet hoe lang ze daar al stonden. Iets in hem zei dat het nog niet zo heel lang kon zijn, want ze waren nog niet versteend.
De man in de bijrijderstoel bracht langzaam iets, naar wat Roef vermoedde een zender moest zijn, naar zijn mond. Met de hand waarmee Roef net nog naar zijn sigaretten aan het grissen was, zocht hij nu de instelknop van zijn scanner op. Zolang het nieuwe communicatiesysteem van de politie nog niet werkte kon hij hiermee de ouderwets betrouwbare politiezender ontvangen. Natuurlijk wilde de scanner niet meewerken. Hij gaf een forse beuk tegen het apparaat en na nog een klap werd een zacht geruis hoorbaar. ‘Trrrffff trfff biep biep, trfff code Doedel biep biep trff brengt biep land in gevaar brrf biep biep opdracht rechtstreeks minister-president biep biep voorzichtig roger over.’ Woest sloeg Noorderligt op zijn stuur. Dat moest hem weer overkomen! Dacht hij een saaie burgervader te volgen, bleek het een of andere geflipte topcrimineel te zijn. Als hij dat had geweten, dan hadden ze hem daar wel meer voor mogen betalen! Alsof zijn levensverzekering niets kostte! En die mooie meneer Montaigne maar knikken toen hij hem net aan de lijn had. ‘Kaal? Is hij Kaal? Blijf hem vooral in de gaten houden!’ Makkelijk gezegd. Montaigne kende die vent vast alleen van de opsporingsberichten en intussen lag lieve Roef hier in de vuurlinie. Maar dat zou toch zeker niet! Barsten kon Montaigne met die opdracht. Barsten! Als hij een echte James Bond zocht, had hij die maar in moeten huren, maar niet iemand die vooral in de echtscheidingen zit.
Toen Roef Noorderligt even later de deur van Wilhelmina’s opensloeg zat Herman Ypkema aan de bar. Herman staarde naar de schittering van de kolossale bar die een plekje gevonden had tussen modieuze dameslikeuren. Behalve de bokaal herinnerde nog een vergeeld krantenartikel aan de bodybuilders carrière van Jimmy, de barman. Inmiddels was Jimmy’s zorgvuldig opgebouwde spiermassa afgedaald naar zijn pompeuze buik die alleen nog door diverse onderkinnen opgehaald kon worden. Met een licht gevoel van melancholie dacht Herman aan de tijd dat Wilhelmina’s nog gewoon ‘Bij Willy om de hoek’ heette en dat de bar, die met zijn pisgele lichten leek te zijn overgewaaid uit een kermiscarrousel nog gewoon van hout was. Alleen de gokkasten waren gebleven. Hermans vrienden waren één voor één weggegaan: de serieuze journalistiek in, op jacht naar primeurs en zogenaamd schokkende onthullingen. Herman wist wel beter. Herman had ook ooit eens die kans gekregen, maar Herman... Hij dronk zijn bier leeg, bestelde er nog één en nam een flinke teug. De openslaande deur hoorde hij niet.
Roef was nog nooit in Wilhelmina’s geweest. Even knepen al zijn zintuigen samen, zijn bril besloeg, zware shagwolken sloegen op zijn longen en in zijn neus prikkelde de geur van verschraald bier. Noorderligt had een moment nodig om zich te heroriënteren. Voor hem stond een grote leestafel met daarop wat opiniebladen. Ongeopend, want opinie was er genoeg in deze zaal. Snel liet hij zijn geoefende blik over de ruimte gaan. De deuren achter in de zaal sloegen naar buiten open en bij het binnenkomen had hij al een glascontainer voor de deur zien staan. Dat duidde erop dat vanuit de keuken geen directe uitgang naar buiten was. Er was slechts een vluchtweg en dat was deze. Beroepsdeformatie. Aan de bar hingen twee groepen. Een groep makelaars, te oordelen naar hun protserige maatkostuums, hun strak geplombeerde haren met een her en der verdwaalde zonnebril. En een groep met spijkerbroeken en vlotte blazers onder hun leren jasjes. Mogelijk de journalisten, naar wie hij op zoek was.
Aan de met plastic elementen verrijkte houten bar, ontwaarde Roef een zonderling persoon in een verlopen windjack. Naast de groep met de leren jasjes. Noorderligt besloot op deze persoon af te stappen. Hij liep daarbij bijna tegen de barman op (de missing link in het geheel), die juist vanuit de keuken met een enorme portie Hollandse snackmix langs wilde gaan. Voordat Noorderligt de lege kruk naast de zonderling innam maakte hij nog even een inschatting. De man leek op te gaan in het gesprek van het groepje naast hem maar wilde daar ook weer geen deel van uitmaken. De pen uit zijn borstzakje, de slordig gepoetste schoenen, en de schoudertas met daarop het ANP-logo maakten Roef één ding duidelijk. Dit was een man van het ANP. Roef schoof de barkruk dichterbij. Hij staarde even naar de brandplekken op het blauwe tapijt en vroeg op de man af: ‘Zo jij werkt bij het ANP?’ Herman Ypkema schrok op van zijn halfvolle of halflege glasbier (halfleeg zo schatte Roef in) en knikte. ‘Mooi,’ zei Roef, ‘kun je mij vast wel vertellen waar de echte journalisten zitten!’
Ypkema verstijfde. Weer was hij even dat jongetje dat met de gymnastieklessen altijd als laatste gekozen werd. Wanneer kreeg hij eens als eerste het grote stuk vlees toegeworpen, in plaats van alleen de botjes te mogen afkluiven? Wanneer... Nog voor hij deze gedachte had kunnen afmaken, draaiden één van de mannen achter hem zich om en tikte Noorderligt aan. ‘Kijk eens aan, ik ben van de wakkerste krant van Nederland,’ zei hij met een fitheid die Ypkema hem nooit zou kunnen nadoen. Potverdorie, dacht hij, ben ik alweer niet snel genoeg. Noorderligt leek hem inderdaad alweer vergeten, want hij draaide zijn rug naar hem toe en ging op in het groepje mannen met de leren jassen, waar de wakkere journalist deel van uitmaakte. Het groepje hing gretig aan zijn lippen. De uitverkoop van damesschoenen leek te zijn begonnen. Roef deed hun het hele verhaal uit de doeken, hoe hij, Roef Noorderligt, met gevaar voor eigen leven de topcrimineel had herkend toen zijn dekmantel, de hoed, afwaaide. Waarschijnlijk ging het om een terrorist die een aanslag plande, de hele buurt wemelde namelijk van de geheim agenten die hem omzichtig in de gaten hielden. Ypkema luisterde mee, maar hoefde de rest van het verhaal niet meer te horen. Hij had genoeg gehoord en hoefde alleen nog maar met de Noorderzon te vertrekken. Als hij nu als eerste wegging had hij eindelijk voor het eerst in zijn loopbaan zelf nieuws gemaakt.
Maar Ypkema was ook een voorzichtig man. Gelukkig kon hij het hele verhaal verifiëren bij een aantal ‘kennissen’. Allereerst was daar de hoofdcommissaris, die vertelde dat hij over de zaak Doedel geen mededelingen mocht doen. Dat zei natuurlijk al veel. Vervolgens was daar een bevriende bode op het Binnenhof, die bevestigde dat de minister-president en de minister van Defensie uit een belangrijk overleg waren geroepen en dat daarbij ook de naam Doedel gevallen was. Tevreden en met een gerust hart zette Ypkema zijn bericht op de ANP-telex naar alle nieuwsredacties in de wereld. Hij had nieuws!
Met gierende banden scheurde even later een bestelbus met daarin Sjors en Claire van Den Haag Infokanaal richting de Ananasstraat. Hun chef Ronald was het ANP eeuwig dankbaar. Ruim voordat de andere zenders de Ananasstraat hadden kunnen vinden in het opgebroken Den Haag, zou Claire een nationale bekendheid zijn.
Terwijl Claire en Sjors de stoplichten negeerden, liet mevrouw Hekkeling haar Ierse Setter, Snoesje uit in het Aardbeienplantsoen. Mevrouw Hekkeling was ontsteld toen zij in de bosjes op het Aardbeienplantsoen een appelkroostje ontwaarde. Wat moest dat worden met de buurt als mensen nu ook al hun afval op straat deponeerden? En kijk, een eindje verder lag zelfs een hoed. Snoesje had de hoed inmiddels ook ontdekt, trok het vrouwtje hard hijgend erheen en begon het nieuwe spelendingetje gretig te verscheuren. ‘Stop, Snoesje, Stop! Houd op! Houd op!’ Snoesje luisterde wel, maar niet nadat hij over de overblijfselen een zegenende plas had gedaan. Daarmee de eeuwige verdwijning van Bewijsstuk A in de Doedel-affaire bevestigend.
Claire en Sjors arriveerden al eersten in de Ananasstraat. Het probleem van lokale zenders is dat ze nauwelijks bekeken worden. Hun programma’s staan niet in de tv-gids. Hun presentatoren hebben geen bekende gezichten. Het accent wordt niet ondertiteld. De programma’s worden gemaakt door toegewijde mensen die heel hun ziel en zaligheid in hun werk leggen. Daarom is het des te vervelender dat hun inzet verloren gaat in de desinteresse van het kijkerspubliek. Natuurlijk hebben zij ’s middags wel een doelgroep in de bejaardentehuizen en verplegingsinstellingen in het land, maar dat is voor een nieuwsfeit als de verdwijning van de hoed van Jan Doedel natuurlijk nauwelijks relevant. Blijft over het publiek dat aan het eind van de avond, zappend door hun duizend-en-één-zender pakket de barrière van schaars geklede dames heeft weten te overwinnen.
Een van die nachtkijkers was Jacques J. de la Montaigne. Hij lag weggezakt op Afrikaanse Ganzenverendons op het kolossale bed van de zogenaamde ‘Love Suite’ van Hotel des Indes (al werd die naam van kamer 14 natuurlijk slechts zacht fluisterend door het personeel in de mond genomen). Behalve het extra grote bed, de jacuzzi, de engeltjes op het plafond en de grote spiegel aan het hoofdeinde, was deze kamer bijzonder omdat het de enige kamer in het hotel die ook op verzoek per dagdeel was te reserveren. Jacques wachtte totdat Lola Vampirosa zich had opgefrist. Afgaand op de kleding die ze droeg, had dit niet zo heel lang hoeven duren, dus hij was erg benieuwd waar zij mee voor de nacht zou komen. Zo lag hij al zappend op het bed, op zoek naar het betaalkanaal.
Vampirosa was tevreden toen zij de badkamer uitkronkelde, gehuld of liever gestrikt, in een op maat gemaakt Marlies Dekkers setje. Jacques zat immers met wijd open mond op bed. Helaas voor haar was dit niet vanwege het knoopwerk van Marlies, maar doordat zojuist de naam Jan Doedel op tv gepasseerd was. Jacques sprong op, wilde zijn broek aantrekken, vergiste zich in de juiste broekspijp, viel bijna om en zei: ‘Ik moet even weg,’ Lola Vampirosa in de deuropening achterlatend. ‘Man van de verkeerde kant,’ of iets van die strekking siste ze hem na...
De premier keek vanachter zijn bureau vreemd op, toen hij een verwilderde Jacques het Torentje zag binnenstormen. Zijn overhemd fout geknoopt en gulp open. Weer had de minister-president de vergadering moeten onderbreken. De vraag of Nederland Tadzjikistan moest binnenvallen was nog altijd niet beantwoord en spitste zich toe op de vraag of de Tadzjieken voor hun gevallenen al dan niet bereid waren Nederlandse bloemen aan te kopen. Jacques hijgde nog na en de minister-president vond dat zijn adem naar één-dags-kwartelkuikens in knoflooksaus stonk. Toch had Jacques hem snel genoeg uitgelegd hoe precair de situatie was. Om zich gedekt te voelen liet onze minister-president weer de minister van Defensie aanrukken. We luisteren even met Jacques mee: ‘Jan Doedel is onze Jan niet meer. Op tv wordt hij uitgemaakt voor terrorist. Als zoiets eenmaal op tv is geweest, kun je er donder op zeggen dat de andere media niet achterblijven. Het is als een uitbarstende vulkaan. De druk eronder is niet te houden en spoedig zit alles onder vuur en as. Nu al schreeuwt de bevolking om actie. Niets doen is zelfmoord. Maar dit is ook het moment dat je kunt laten zien: hier staat een leider, een man met daadkracht, een man die ons onze veiligheid heeft teruggegeven, die het op durft te nemen tegen het kwaad.’
– ‘Genoeg, genoeg...’ gebaarde de minister-president. ‘Hier herken ik mezelf wel in, maar hoe vetaalt zich dat in actie?’ Jacques J. bleef stil. Inhoud was nooit zo zijn ding.
– ‘Misschien kunnen we de straat versperren, hermetisch afsluiten en de Vruchtenbuurt tot een no-go-area uitroepen?’ opperde de minister van defensie.
– ‘Wekken we dan niet de indruk dat er werkelijk een gevaar bestaat?’
– ‘Als we nu eens de luchtmacht de flat laten bombarderen, hebben we én laten zien dat we terrorismebestrijding serieus nemen, én we zijn van Jan Doedelgedoe af.’
– ‘Wat als we dan de verkeerde flat bombarderen?’
– ‘Kan onze minister van Volkshuisvesting daar niets voor verzinnen?’
– ‘Wacht even,’ kwam Jacques tussenbeide, ‘als we het puur vanuit pr-standpunt bekijken, draven jullie een beetje door.’
– ‘Wat zijn dan de alternatieven?’
– ‘Dat weet ik zo een-twee-drie niet. Als die Jan Doedel maar niet zijn hoed verloren had, dan zaten we nu niet met zo’n probleem!’
– ‘Van wie kwam dat idee met die Jan Doedel?’ sneerde de minister van defensie.
– ‘En waar zat het lek?’ pareerde Jacques.
– ‘Heren, heren!’, greep de minister-president in. ‘We moeten in deze moeilijke tijden het hoofd koel houden. Laten we een extern onderzoeksbureau inschakelen.’
Dat vond iedereen een goed idee. En zo stond enkele minuten later de man, die die mooie statistieken over Doedels middelmatigheid had opgesteld op de speaker van de Torentjestelefoon. ‘Kunnen we Jan Doedel niet vragen om gewoon met ons mee te werken?’ vroeg de minister hem vertwijfeld.
– ‘De kans dat we hem nog kunnen bereiken is 1,4 %,’ antwoordde de man die de mooie statistieken over Doedels middelmatigheid had opgesteld en die nu op de speaker stond. ‘70% van de mensen opent namelijk na 20.00 uur de deur niet meer uit angst voor dieven of collectanten. Uit onderzoek is gebleken dat als hun voornaam Jan is en ze bovendien schoenmaat 42 hebben, dit percentage 98% is. De kans dat ze een 06-nummer hebben dat niet in de telefoongids vermeld staat is als hun lievelingsgerecht nasi is en ze een hekel hebben aan langharige bordercollies, zoals voor Jan Doedel opgaat, 99,9% . Dat maakt het vrijwel onmogelijk om hem vannacht nog te benaderen.’
– ‘Bestaat er een kans dat Jan Doedel misschien nog een andere hoed in huis heeft liggen,’ vroeg Jacques, enthousiast geworden door deze nieuw aangeboorde bron van kennis.
– ‘Interessante stelling,’ was het antwoord, ‘voorzover ik weet, is de kans dat hoeddragers nog een tweede hoed hebben nog nooit onderzocht. Maar dat weet ik niet zeker.’
– ‘Er is dus nog een kans!’ veerde Jacques J. op. De minister president was minder enthousiast:
– ‘Maar wat zou dat dan nog voor verschil maken? Doedel is onbruikbaar geworden in de campagne.’
– ‘Maar zien jullie dat dan niet? Als we het slim spelen heeft straks niemand het meer over Doedel als terrorist. Onze campagne kan gewoon worden voortgezet! Het effect zal des te groter zijn! De hoed wordt het middelpunt van onze nieuwe marketingmix. Met de hoed zit je goed! Stel je voor het rijtje van grote staatsmannen uit onze geschiedenis: de borstel van Kok, de glanzende schedel van Fortuijn, de Potterslag van Balkenende; allemaal successen in de evolutie. En dan nu onze herbenoemde premier!’
– ‘Ik geloof niet dat ik u hele maal volg...’
– ‘Snappen jullie het dan niet? Het is zo simpel. Als Doedel straks opendoet, zetten we het team van “Shownieuws” vooraan. En hier komt het... we zetten jou, als minister-president, leider van de natie, voorop met ook een hoed op!... Klaar!’
– ‘Klaar?’
– ‘Klaar! Let op: wie ziet er nog het verschil tussen nieuws en films? Niemand toch? Het publiek wil geen films die slecht aflopen. Het goede wint altijd van het kwade. Zo moet het in het nieuws ook. En we hebben hier een kaskraker met een plot uit de boekjes. De slechterik blijkt geen slechterik te zijn en wordt direct liefdevol opgenomen in de armen van zijn familie. De verloren broer keert terug. Gegarandeerd zakdoekenwerk! Ik heb een alternatief: zie je liever dat de leider van het volk publiekelijk op de knieën moet voor ene Jan Doedel? Omdat die Jan Doedel per ongeluk is aangezien voor staatsgevaarlijk element? Omdat per ongeluk de campagnestrategie van precies dezelfde minister-president is uitgelekt?’ De minister president moest onwillekeurig even slikken. ‘Het publiek slikt ons verhaal alleen,’ draafde Jacques door, ‘als ze het “live” met eigen ogen kunnen zien. Zonder woorden moet duidelijk zijn dat hier sprake is van twee juist verenigde broers en een afschuwelijk misverstand. Dus skip het lulverhaal dat we voor “Shownieuws” in gedachten hebben. Veel te lang! Het moet on-spot, voor het oog van de camera’ s, right-away, duidelijk zijn. Hier staan twee broers, na al die jaren herenigd, niks terrorisme! Eind goed, al goed, slotlied, aftiteling...’
– ‘Maar we lijken niet eens op elkaar!’, wierp de minister-president tegen.
– ‘Zorg er gewoon voor dat je een hoed op hebt’, ratelde Jacques.
– ‘En al wat je hoeft te zeggen is: “Mijn broer...” en je spreidt je armen. Wat is er in hemelsnaam nog meer voor nodig als je twee mannen met een hoed ziet? Alle verdere overeenkomsten zijn met zo’n kolossale puist op de kop toch verder overbodig? Is tegenwoordig het dragen van een hoed niet zo’n kwaal die alleen van vader op zoon, van broer tot broer, kan zijn overgeërfd? Twee hoeden, twee broers. Helemaal duidelijk. Nee, daar hoeven we ons geen zorgen over te maken. En zoals ik al zei, zou die hoed je ook in de verdere campagne prima staan!’
– ‘En als hij zijn hoed niet op heeft?’
– ‘Ja,’ antwoordde Jacques met tegenzin, ‘bij een Jan zonder hoed zijn we reddeloos verloren...’
In Wilhelmina’s gleed Roef Noorderligt van zijn kruk af. Hij wankelde, staarde wat naar het tapijt en dacht een patroon in de brandvlekken te kunnen ontdekken. De dubbele whiskey die hij bij de laatste ronde had genomen, was van plan geweest de terugweg op te zoeken, maar zijn tong had deze kunnen afsnijden. De goede vrienden die hij zojuist had gemaakt, waren plotseling verdwenen en hadden hem laten zitten met de drankrekening: een flinke hap uit de lichtmetalen velden die hij met zijn net verkregen voorschot had willen betalen. Hij worstelde wat met zijn broekzakken, maar kon zijn autosleutels maar niet vinden. Even keek hij op naar de spiegel achter de bar, trok een grijns en het viel hem op hoe knap hij was gebleven in al die jaren.
Jacques J. de la Montaigne had heel wat films van Lola Vampirosa gezien, maar hij had nooit kunnen denken dat dat muizenstemmetje tot zulke tijgerachtige uithalen in staat was. Ergens was hij wel blij dat er een deur was die hen scheidde, hij had immers geen kennis willen maken met haar nagels (althans niet in deze context). Lola weigerde hem binnen te laten en had zijn openstaande aktetas met gehele inhoud, stropdas, onderhemd en zelfs zijn €2.500 kostende nieuwe toupet op de gang van het hotel gesmeten. Verder was hij blij dat het Amerikaanse gezelschap dat in de gang stond mee te luisteren de Nederlandse taal niet machtig was. Hij vroeg zich af of er in het Engels net zoveel creatieve scheldwoorden bestonden. De sussende woorden die hij zelf in de mond wilde nemen, gleden weg in de hysterie. Toen de hotelmanager polshoogte kwam nemen, liet hij zich gedwee naar buiten voeren. Hij hoopte maar dat door dit voorval zijn entree in de artiestenwereld niet helemaal was verziekt.
Echtpaar van der Sloot had zich voor de televisie verschanst. Zo vaak kwam de straat immers niet op tv en het eten van zoutjes vanachter de vitrage had ook iets banaals. Ze hoopten maar dat die Doedel snel zou worden opgepakt. Dat was voor de buurt en voor de huizenprijzen tenslotte het beste.
Oorlogsjournalist Michiel Beenbreuk van de NOS vatte buiten te midden van een tiental collega’s het geheel nog even samen: ‘De spanning in het gebied is nu duidelijk voelbaar en neemt van minuut tot minuut toe. Onze bronnen zeggen dat Jan D. buitengewoon gevaarlijk is. Hij schijnt door de politie te zijn herkend toen zijn dekmantel, een hoed, afwaaide. De bewoners zijn ongerust en bang of ze hun huizen nog wel veilig uit kunnen komen. Algemeen wordt verondersteld dat de bewuste terrorist Jan D. vermoedelijk de schuilnaam van Mohammed C. (eerstvolgend na Mohammed A. en Mohammed B.) zich nog altijd in huis bevindt. De autoriteiten laten het echter nog altijd afweten. In een officiële mededeling zegt het Openbaar Ministerie nog altijd geen mededelingen te kunnen doen omtrent de identiteit van dhr. Doedel. De politie heeft het gebied nog niet durven te betreden, we kunnen er echter vanuit gaan dat er voorbereidingen worden getroffen voor een verrassingsactie van de arrestatieteams.’ Wat dat laatste betreft zou Beenbreuk best wel eens gelijk kunnen hebben. In de Vruchtenbuurt stonden er immers opvallend veel opvallend onopvallende Volvo’s geparkeerd.
In die nacht zal de grootste druk zal echter gelegen hebben op onze minister-president. De beweging en tekst die hij moest maken als Jan Doedel een hoed op zou hebben had hij uit den treure met Jacques gerepeteerd. Maar wat als Doedel nu eens geen hoed op zou hebben? Dan zou het excuus van de familieband vervallen zoals Jacques beweerde. Wat kon hij dan als uitvlucht bedenken om ongewapend bij een vermeende terrorist op de deurmat te staan? Iets in hem knaagde dat er gaten zaten in het verhaal van De la Montaigne. Maar er zat niets beters op dan de broederliefde te veinzen voor een broer die hij nooit had gehad. Hij zou het zo goed moeten spelen dat het boven elke twijfel verheven was. En ‘goed’, dat kon alleen met een hoed.
Zoals u zult begrijpen, bleef het die nacht onrustig in de Ananasstraat. Ook de lieflijke zang van de merels in het Aardbeienplantsoen kon dit bij het krieken van de dag niet verhullen. De inval van het leger was uitgebleven. Wel hield de politie de cameraploegen op afstand. Toen de zwartgeblindeerde auto van de minister-president aan kwam rijden, gloorde er hoop bij de aanwezige journalisten. De vermoeidheid van het lange wachten was verdwenen. Het duurde echter nog tot 8.00 uur voordat er bij de flat beweging werd gesignaleerd. Precies zoals de man die de mooie statistieken had opgesteld, had voorspeld. Jan Doedel kwam naar buiten met een gele tweed-pet op, die vloekte bij zijn beige overjas.
De Hoed van Jan Doedel
Het trillen van het Swarovski-kristal in de vitrinekast overstemde het geluid waarmee hij zijn drie zoetjes door de thee roerde. Gelijk op met het geweld buiten, trok een donkere schaduw over de plooivitrage. Het licht van de lantaarnpaal werd nu geheel aan het oog onttrokken. ‘Kijk eens Eef, wat dat is...’ zei hij tot zijn vrouw terwijl hij onverschrokken met het lepeltje cirkels in de thee trok. Met tegenzin legde zij haar breiwerk opzij. Zij was juist de pannenlikker-in-wording aan het afkanten. Een moeilijke steek en ze was net vertrouwd geraakt met het ritme van de pennen. De wortelnotenhouten fauteuil kraakte bij het opstaan. Ook dat opstaan ging niet meer zoals vroeger. Ze trok de vitrage een stukje opzij om beter zicht te krijgen. Het geronk hield aan. ‘Een vrachtauto, lief. Eentje met een grote schotel op het dak.’ Zonder bril lieten de letters op de zijkant zich niet makkelijk lezen. ‘Ik denk van de tv.’ ‘Van de tv?’ Nu stond haar echtgenoot zelf op. ‘Ga eens uit de weg, schat.’ Met grote ogen keek hij naar buiten. Verrek, het was inderdaad een vrachtauto. ‘NOS’ stond er in grote letters op de zijkant te lezen. Is het tenminste nog een fatsoenlijke omroep, dacht hij nog. Het had ook SBS kunnen zijn. Later zou hij vertellen dat de komst van de tv in de Ananasstraat hem allerminst verraste. ‘Je wil niet weten wat ze hier allemaal de buurt in halen!’ Maar op dit moment was zijn hoofd een groot vraagteken.
Buiten haalden mannen in witte bodywarmers kabels uit de wagen. Dikke strengen die de Ananasstraat met de wereld zouden verbinden. Statieven werden opgezet, lichtpunten aangesloten. De vrouw had de binnenverlichting inmiddels gedoofd, zodat het uitzicht niet werd gehinderd door de weerspiegeling van het glas. Even telden de vette vingers op de ramen niet meer. ‘Alsjeblieft geen Postcodeloterij,’ prevelde de echtgenoot, turend naar bekende gezichten. ‘Dat is op RTL.’ De zucht die hij slaakte, leek een zucht van verlichting.
Met stijgende verbazing was echtpaar Van der Sloot er getuige van hoe voor de portiek van hun doorgaans rustige flat een waar mediacircus uit de grond werd gestampt. Aan de andere kant, buiten het zicht van de VanderSloots, werd de straat gebarricadeerd door lichtere busjes van RTL en jawel: SBS. Mevrouw Van der Sloot kon nog net een gilletje bedwingen toen zij de eerste nieuwscoryfeeën op haar vizier kreeg. Op zoek naar het mooiste shot pal voor het rijtje brievenbussen. ‘Kijk, is dat niet Max Westerman?’ ‘Grr,’ gromde haar man. De bovenburen zouden beweren dat ze een ingehuurde nieuwshelicopter hoog in de lucht, cirkelend als een gier boven zijn toekomstige prooi, hadden gehoord.
Twee uur eerder en zonder te zijn opgemerkt door het scherpe gehoor van de bovenburen, schikte Claire van ‘Den Haag Infokanaal’ haar haar nog even in het spiegelende glas van de camera. Vervolgens trok ze haar truitje nog wat strakker zodat haar trotse borstpartij nog duidelijker in beeld zou komen. Een beetje nervositeit was haar wel aan te zien. In haar carrière had ze wel meer grote gebeurtenissen mogen verslaan. De intocht van de koningin in Lutjebroek, de onthulling van de buitenissige dienstreis van burgemeester Spoorstra in Appelscha. Maar dit was toch echt andere koek. Ronald, chef redactie, had haar vooral op het lijf gedrukt om haast te maken. Op deze ‘scoop’ zat heel Nederland te wachten. NOS, RTL en SBS waren al onderweg. De tijd dat hun sterreporters nodig hadden om uit hun Amsterdams bed te komen, was de voorsprong van Den Haag Infokanaal. Vragen komen later wel. En juist het feit dat ze veel vragen had, maakte Claire nerveus. Hè, nu begon haar vervelende zenuwtic weer op te spelen; haar linkerwenkbrauw maakte af en toe een ongecontroleerde beweging. Drie maanden tweewekelijks de training ‘Ratten en angsthazen voor de camera’ gevolgd en nog geen profijt! Maar vooruit, zoals ze geleerd had, haalde ze diep adem. ‘Voel de aarde onder je voetzolen, en voel hoe je adem, rustig en als vanzelf daarheen beweegt en helemaal in balans als vanzelf weer terugkomt. Maak contact met je zonnevlechtchakra.’ Zucht... ‘Kunnen we Sjors?’ Sjors, de cameraman, knikte. Hij had vaker met Claire gewerkt. Elk ander gebaar zou fout zijn. Het zou niet de eerste keer zijn dat hij haar een provinciaalse verlegenheidsblos had bezorgd om die vervolgens in de kleurcorrectie te moeten wegwerken. ‘Vier, drie, twee, een.... Actie, camera loopt!’ Strak staarde Claire nu het publiek voor de tv aan. Nu de camera liep was haar nervositeit verdwenen en met professionele stem, waaruit toch een groot inlevingsvermogen bleek, zei ze: ‘Zojuist is bekend geworden dat de hoed van Jan Doedel is weggewaaid...’
Het zal ongeveer als volgt gegaan zijn. Enkele luttele uren voordat Claire het nieuws wereldkundig maakte en de Ananasstraat voor altijd op de kaart zou zetten, speelde de wind tikkertje met de stad. De bomen die hun herfstblad tot dan toe angstvallig hadden weten vast te houden, werden één voor één geraakt. Lijdzaam moesten ze toezien hoe hun bladeren wiegend naar de kille stoeptegels werden geblazen. Plagerig bracht de wind enkele fietsers die zich nog op straat hadden gewaagd, in ademnood om ze enkele tellen later weer los te laten. Zij zocht zich een weg door de stad, wrong zich tussen de portiekwoningen aan het Perzikplein, verhief zich boven de Sinaasappelstraat en dook langs de flats aan de Ananasstraat. Daar vond zij haar onwillig slachtoffer Jan Doedel, juist op de terugweg van zijn werk als Eerste Factuurcontroleur Binnenland bij een niet nader te noemen bank- en verzekeringsconcern. Genadeloos liftte de wind de innig met Jan Doedel verstrengelde, haast vergroeide hoed van het hoofd. In een poging terug te nemen wat van hem was, zette hij de achtervolging in. Deze moest hij echter staken toen hij struikelde over een losliggende stoeptegel, waarna de hoed uit het zicht verdween.
De onfortuinlijke actie werd gevolgd door Roef Noorderligt vanuit zijn zilvergrijze Nissan Sunny. Met zijn met een 300 mm 16 px Telescooplens uitgeruste Canon 800 D egx-fotocamera, loste hij een spervuur van foto’s op de arme Jan af. De scherpstelling moest wel te lijden hebben onder de sigarettenwalm in de Nissan, waarachter Roef zich onzichtbaar waande. Dit was één van die zeldzame momenten in zijn werk waarbij zijn bloeddruk steeg en zijn tong met een sliertje speeksel uit de met vet en paprikapoeder bedekte lippen glipte. Zo had hij zich het detectivewerk voorgesteld. Toen de Jan-nu-zonder-hoed onverrichter zake zijn flat binnentrad, griste een tevreden Roef, tussen de lege chips- en Zonnatura natuurlijke Yoghurtdrinkverpakkingen, naar zijn telefoon, een bakbeest uit de tijdperk voor de uitvinding van de sms. Maar ze had hem met haar oerdegelijke haast Oost-Duitse makelaardij nog nooit in de steekgelaten. Tot dan toe was Roef zich nog volledig onbewust van de impact van wat hij zojuist gezien had.
Vijf kilometer verderop harmonieerde in Hotel des Indes de salonmuziek van viool, cello en piano met klassiekers als Ewige Liebe en Salut d’Amour met de op gedempte toon gevoerde conversaties. Af en toe onderbroken door een ietwat storend lachsalvo van een ongetwijfeld Amerikaans gezelschap dat aan een tafel aan het uiteinde van de zaal zat. De temperatuur in Des Indes was als van een bejaardentehuis met Kerstmis. Op deze historische plaats waren sinds 1881 vele beroemdheden ontvangen, die genoten van het lekkerste des levens. Obers zwierden luchtig langs de met damast gedekte tafels. Het tafelzilver, de kristallen glazen en de kroonluchters schitterden om het even.
Jacques J. de la Montaigne (eigenlijk Jan van de Berg) was erg ingenomen met zichzelf. Jacques was als zelfbenoemd public relations-goeroe, berucht omdat hij altijd in de schaduw van de media opereerde. Zijn fijngeslepen voelsprieten voor publiciteit en het vermogen om altijd zijn zin door te drijven, hadden hem bepaald geen windeieren gelegd. Jaguar, pied à terre in Blaricum, etage in grachtengordel. ‘Om in luchtbellen te kunnen denken, moest je ballonnen leren blazen,’ zei hij altijd. Het betekent niets, maar hij was er wel groot mee geworden. Nu stond zijn nieuwe campagne op het punt gelanceerd te worden. Nog even en de naam Jan Doedel zou op ieders tong liggen.
En nu zat hij dan ook nog eens tegenover Lola Vampirosa. De natte droom van iedere man. De actrice die zich langs broeierige hotelkamers naar boven had gewerkt tot een actrice waar regisserend Nederland niet meer omheen kon. Naast haar naar voren springende kwaliteiten, bleek zij ook gevoel voor dramatiek te bezitten en bleek zich staande te kunnen houden in serieuze rollen. Hoewel zij door heel het land (althans het mannelijk deel ervan) op handen gedragen werd, had zij door haar achtergrond nooit toegang kunnen krijgen tot de ‘Beau Monde’ van cultuurminnend Nederland. Zij hoopte dat Jacques haar toegangskaartje zou zijn. En dus zat zij nu tegenover hem in de overweldigende grandeur van het Des Indes. Vampirosa die onuitwisbare lipstickafdrukken op het kristal kleurde. Vampirosa die erotisch haar kreeft uitlebberde.
Hoewel hun samenkomst geen enkel verband met Jan Doedel kende, maakte de gedachte dat zij misschien een rol in de campagne zou kunnen vervullen Jacques plotseling opgewonden. Het idee dat Vampirosa bereikbaar was voor iedere Jan Doedel was de kers op de taart. Maar hoe legde hij dit er niet duimendik bovenop? Toch had hij er alle vertrouwen in dat hem dit ging lukken. Jacques lukte alles op het gebied van Personality Branding (hoe breng je afgeserveerde kneuzen als warme kroketten over de toonbank). Wie mensen kan bespelen, beheerst de wereld. Wie meer mensen kan bespelen beheerst de wereld meer. Daarvoor was het nodig om in te prikken op de kleine dingen die het succes bepaalden. Het vlindereffect. De vleugelslag van een vlinder, kan door een onnavolgbare keten van oorzaak en gevolg een storm op een ander continent ontketenen. In een niet te beheersen chaos worden feit en fictie vermengd. Slechts degene die zich in het middelpunt van de storm bevindt, houdt stand. En daarbij draaide alles om details. Hoge ogen had hij gegooid met zijn idee om een onbetekende politicus aan de waterstofperoxide te brengen. Geniale afleidingsmanoeuvre voor een gebrek aan inhoud. Een nieuwslezer had hij leren stotteren. Het ontberen van journalistieke kwaliteiten gecompenseerd door plaatsvervangende schaamte. Een uitgerangeerde B-zangeres stimuleerde als jurypanellid in een landelijke talentenjacht de verkoop van incontinentiemiddelen. Met haar optreden wist zij een geheel nieuwe doelgroep aan zich te binden. Volgens sommigen had hij zwarte Piet aan Sinterklaas gekoppeld, maar daar wilde hij zelf geen uitspraak over doen.
Het ensemble zette een tango in. Vampirosa liet schijnbaar achteloos haar hoge hak over zijn Van Bommelschoen glijden. En terwijl haar vinger langs haar lip streek en met een blik die door een tolk, met ogen van -8, op maar één manier vertaald kon worden, lispelde ze ‘Oeps, hi hi.’ Op dat moment klonk de Superman titelsong. Zelfs de Amerikanen keken verschrikt op. Met de bekende vanzelfsprekendheid van iemand die het zich kon veroorloven, nam Jacques op. Zijn gêne kon hij verbergen. Het moment waarop Roef belde kwam niet bepaald gelegen. Maar de intonatie waarop Roef lijzig erop aandrong om niet meteen op te hangen, verraadde dat er iets mis was. Jan Doedel kaal? Kaal? De neuronen in zijn hersenen leken de axonen niet meer te kunnen vinden. Combinaties van waarschijnlijkheden flitsten door zijn hoofd. Het balletje op de roulettetafel waarop Jacques speelde rolde dit keer niet zijn kant op, maar was als een sneeuwbal die steeds sneller de gletsjer afrollend, zijn kant opkwam. Details, Details daar ging het hem om. En dan hield hij niet van dit soort onaangekondigde verrassingen. Hij zat op de stoel van de regisseur, de dirigent van het orkest, de poppenspeler met de mensheid in de hand. De wereld regeren is haar controleren. In die wereld paste geen kale Jan Doedel. Een kale Jan Doedel had een identificatiefactor van 0,7 op een schaal van 5. Dat betekende dat het Nederlands publiek zich niet zonder meer met Doedel kon identificeren. Geen voorbeeldige buurman, geen Amerfoortse schoonzoon. Al was 0,7 niet eens zo heel laag; voor het slagen van de campagne ging hij uit van een identificatiefactor van 4. Dat is 600% zo veel! Niet dat kale mensen minder zijn, maar voor deze campagne mochten ze worden afgeschoten. Regeren is controleren. Controleren is regeren. Details, details daar ging het om. Bleek borg hij de telefoon in zijn jacquet op. Vampiros’s plaatsvervangende schaamte voor een telefoongesprek, juist op deze plek, juist op deze tijd, had plaats gemaakt een woede die uit haar ogen stoomde. Hels, en waar elk moment drietanden uit konden schieten. Nog nooit, zelfs niet in haar vroege films, had ze zich zo naakt gevoeld. Toch had ze zichzelf weer in de hand toen ze als volleerd actrice vroeg: ‘Is er iets?’ ‘Ik moet nu weg...’ antwoordde Jacques bleek.
Het zal geen nieuws zijn dat op die dag in de Trèveszaal op het Binnenhof de voltallige Ministerraad bijeen was voor een ingelaste spoedvergadering over een mogelijke inval in Tadzjikistan. De sfeer was bedrukt. Niet zozeer door het onderwerp, als wel doordat de meeste ministers hun avondlijke borrelactiviteiten hadden moeten afzeggen. De minister van Onderwijs peuterde met een potlood in zijn oor. Economische Zaken en Landbouw speelden onder een hoedje heimelijk boter-kaas-en-eieren. De zaal was warm en de lucht als altijd bedompt, omdat het uit staatsveiligheidsoverwegingen niet was toegestaan de ramen open te zetten.
In deze ongeïnspireerde omgeving, was het aan de minister van Defensie, die toch al niet als snedig bekend stond, de taak om alle handen op elkaar te krijgen. Als steun in de rug hadden zijn generaals voor hem een Powerpointpresentatie in elkaar geknutseld. ‘Tadzjikistan vormt een belangrijk veiligheidsrisico voor de Nederlandse staat’, zo las hij op. ‘Het heeft bergen, waar terroristen zich kunnen verschuilen.’ ‘Zullen we dan ook Oostenrijk binnenvallen?’ ginnegapte de minister van Ruimtelijke Ordening. ‘Orde, orde!’ hamerde de minister-president. ‘Als we zo gaan beginnen, kan het nog wel eens een latertje worden...’ Dit was voldoende. ‘Daarnaast is Tadjzikistan islamitisch,’ vervolgde Defensie.
Op één na knikten alle ministers instemmend. De minister van Defensie keek de grote tafel rond. De manier waarop hij één voor één zijn collega’s in ’t vizier nam, langzaam met zijn vingers door zijn stoppelbaard strijkend, gaf aan dat hij voor zichzelf al rekende op de overwinning. ‘Zijn er nog vragen?’
Tegen de verwachting in, nam de minister van Sociale Zaken het woord: ‘Is zo’n missie niet gevaarlijk?’ Defensie schraapte de keel. ‘Uhm, de Amerikanen hebben ons een gebied toegewezen waar enkel nog vrouwen en kinderen wonen. Met ons modernste materieel denken we de bevolking de baas te kunnen. Het wordt een echte opbouwmissie. We nemen alles mee waar nu gebrek aan is: tenten, voedsel, medicijnen en maandverband.’ ‘Wat zijn de vergeldingsacties van de Amerikanen als we deze missie niet zouden ondersteunen?’ Weer die vervelende man van Sociale Zaken. De irritatie over diens geldingsdrang begon ook op te spelen bij de overige ministers. ‘Dan trekken ze Mc Donald’s terug uit ons land!’ meesmuilde Economische Zaken. ‘Maar dat kunnen ze niet maken,’ riep de irritante factor uit, nu een beetje wit op de bips. ‘De toegenomen levensverwachting, kunnen we helemaal niet financieren...’ ‘Een bedreiging voor de chemische industrie’, ging Economisch Zaken daaroverheen.’ ‘Onderschat het het educatieve karakter van hun placemats niet,’ haakte Onderwijs aan.
De discussie dreigde te ontsporen. ‘Orde, orde, orde,’ sloeg de premier in ferme klappen op de tafel. ‘Wie nu niet stil is, gaat eruit!’ ‘Zo ver wilden de Amerikanen inderdaad niet gaan, meneer de voorzitter,’ hervatte de minister van Defensie. ‘Onze bondgenoten hebben daarentegen wel gedreigd dat...’ Zijn woorden werden ruw onderbroken door het openslaan van de 18e Eeuwse Franse stijldeuren van de Trèveszaal. De binnenkomende bode reikte zonder woorden de minister-president een briefje aan. Voor de omstanders was alleen het logo van de Rijksoverheid in de linkerbovenhoek te herkennen. De in parmantig handschrift geschreven tekst, die op het lichte papier zacht doordrukte, konden de ministers helaas niet lezen.
Het gezicht van de premier verstrakte. Hij gaf het papier terug aan de bode, stond met zijn gezicht in de plooi langzaam op en trok met een stevige ruk zijn colbert goed. Met een knik naar de overige ministers, sprak hij de nu legendarische woorden: ‘Het landsbelang roept, ik moet u verlaten. Wij zullen de beraadslaging vervolgen als het moment dit toelaat.’ Toen verliet hij de zaal, de overige ministers druk speculerend achterlatend.
Jacques de la Montaigne stond al te wachten. De minister-president vond het ongepast dat hij zomaar het Torentje was binnengelaten, zonder dat de premier eerst gelegenheid had gekregen op de verhoging achter het bureau plaats te nemen. In lange striemen gleden de regendruppels van de leren Mart Visser jas van Jacques J. de Montaigne. Ze lieten vlekken donker als bloed op het rode tapijt achter. Zijn ‘enVolumizing gel’ had de grip op zijn goed gemodelleerde kapsel volledig opgegeven. Zoals hij daar stond leek hij net een schooljongetje dat bij de conciërge voor het te laat binnenkomen een briefje moest ophalen. Deze pose duurde echter maar even. Zodra hij de premier in beeld kreeg, leek hij zijn zelfverzekerdheid te hebben herwonnen.
‘Ha Erik-Jan, goed dat je de vergadering voor me wilde onderbreken. Ik moest het je zeggen. Het kan niet anders... Er lijkt iets fout te gaan met onze strategie.’ Volgens één van Jacques’ eigen stellingen volgt slecht nieuws altijd goed nieuws, maar goed nieuws niet altijd slecht nieuws. Dus het was beter om maar in een vroeg stadium met slecht nieuws voor de dag te komen. De priemende ogen van de premier boorden zich even in de kijkers van Jacques om de ernst van de situatie in te schatten. Hoewel het maagzuur hevige pogingen deed om zijn slokdarm op honderd plaatsen tegelijk te perforeren wist Jacques de blik uiterlijk onbewogen te pareren. De minister-president was aan zet.
‘Mag ik u er even op wijze dat waar u over “onze” strategie spreekt, u deze geheel op uzelf dient te betrekken voor zover ik niets anders gezegd heb!’ sprak deze. ‘Met de verkiezingen voor de deur kunnen wij ons, en dan bedoel ik ons niet in overdrachtelijke zin, geen fouten permitteren. Fouten worden de facto altijd gemaakt door degene die zich niet bewust is van de verantwoordelijkheid. Daar ik verantwoordelijk ben voor mijn herverkiezing kan ik dus per definitie geen fouten maken. Dat betekent dat ik er zorg voor zal dragen dat u de volledige, maar dan bedoel ik ook de volledige, consequenties zult dragen voor welke onvolkomenheid ook. Ik ben geen partij.’
Hier was Jacques al bang voor. ‘U hebt een punt. Maar stop even met die lange zinnen. En luister... Morgen is het D-day, Doedel-dag. Ik zal het nog één keer samenvatten. Morgen ziet heel Nederland prime time op Shownieuws hoe je na 50 jaar herenigd wordt met je enige broer. Meteen daarna is de broer het hebbedingetje geworden voor elk serieus te nemen actualiteitenprogramma, talkshow of spelletjesprogramma. En wat zal blijken? Broerlief, zo van de straat geplukt, voelt zich helemaal thuis in het verkiezingsprogramma van zijn grote broer! Nietszeggend en o zo middelmatig. Miljoenen mannen hebben we onder de loep gelegd. Scans gedaan, doopcelen opgelicht, internet afgestruind, sleutelfiguren benaderd, enquêtes doorplozen, statistici gegijzeld, klantcontactgegevens gecontracteerd, opiniepeilers gepeild, en dan is nog maar het begin. Alles om de ideale man van het midden te vinden. En we hebben hem gevonden! De man die samen met jou alles kan. Het voorbeeldige voorbeeldfiguur. De vriend van iedereen, en dan is dan zomaar familie van je! Het gedroomde duo! Nederland zal jullie in zijn armen sluiten! Weet je het nog? En wat hebben we moeten doen om die man van jou inderdaad familie te laten zijn? Niets dan de werkelijkheid een handje helpen. We geven haar net dat zetje in de rug, dat ze nodig heeft. De brave redactie van dat tuttige maar o zo degelijke kijkcijferkanon “Shownieuws” heeft van ons slechts een paar aanwijzinkjes gekregen. Het overige speurwerk in het door ons “belangeloos” beschikbaar gestelde materiaal hebben ze helemaal zelf verricht. Het was niet altijd goedkoop, maar kijk eens wat voor prachtverhaal er nu ligt! Wie wil de waarheid weten, als de werkelijkheid een sprookje is? En natuurlijk hadden ze best verder kunnen kijken? Maar wie wil dat? Het verhaal is er. Jan Doedel is er, en straks zal ook de nieuwe Jan Doedel er altijd al geweest zijn! Jan zal blij zijn met jou als broer! In de publiciteit geldt: “hoe wijder de rivier, hoe minder bronnen er nodig zijn”...’
– ‘Ja daar hebben we het vaker over gehad! Welke rivier liep over om mij nu uit de Ministerraad te storen, als u me toestaat u in uw zelfgekozen terminologie te parafraseren?’ zei de Minister-president kordaat. ‘Mag ik u vragen uw punt te maken?’
– ‘Ok, zoals ik al veel eerder zei: er gaat iets mis.’ Zelfs voor een alwetende verteller is het onmogelijk om in het hoofd van de minister-president te kijken. Maar het was waarschijnlijk de combinatie van een meer dan gretige oppositie en koele politieke barometer-temperaturen, die hem deed zeggen:
– ‘Is het reden om de campagne terug te draaien?’
– ‘Dat kan onmogelijk!’ zei een gretige Jacques. ‘Het point of no return ligt al hemelver achter ons! De cameraploeg van “Shownieuws” is ingelicht dat de hereniging met uw broer morgenmiddag plaats vindt bij de feestelijke uitreiking door u van de “Werknemer van de maand”-oorkonde aan Jan Doedel Alle andere media zijn getipt dat er daar iets bijzonders staat te gebeuren. Doen we niets, dan kun je volgende keer linten gaan doorknippen bij de vernieuwde badkamer van Jan Jansen. We hebben zendtijd ingekocht bij verschillende huis, tuin- en keukenprogramma’s. Of wil je liever komen vertellen hoe je de biefstuk met gekookte aardappeltjes en erwtjes en worteltjes bereid? En denk aan het geld! Met geld kunnen we de ratten een andere kant opjagen. Maar ik wil je er wel op wijze dat ons budget nu bijna op is. Ik kon nog nauwelijks mijn eigen rekening betalen en vanochtend heb ik de laatste drukproef goedgekeurd. Zware drukpersen zwoegen nu op een oneindige stroom Doedel-campagneposters...’
– ‘Maar wat is er dan aan de hand? Wat gaat er mis?’ riep de minister-president bijzonder on-minister-presidentieel uit. Jacques de la Montaigne nam een diepe zucht en zei:
– ‘Kaal! Jan Doedel is kaal!’
De minister-president gebaarde discreet naar de nog altijd stoïcijns voor zich uitkijkende bode dat het tijd werd om de beveiliging in te schakelen, en wilde zich omdraaien...
‘Wacht nou! Ik zeg je: dat is niet goed. De mensen willen geen kale Jan Doedel. Jan Doedel moet beminnelijk zijn. Ik heb op de foto mijn vingers op zijn hoed gelegd en dan zie je dat zijn kaaklijn te strak is, zijn kin te geprononceerd, zijn neus te recht, zijn ogen te fel. De hoed verzacht dit. Zorgt voor de warme tint op de tv-toestellen van de mensen. Het geef hem iets gedistingeerds. Iets dat hem naast u kan plaatsen. Op elke castingfoto staat die man met een hoed op! Een handelsmerk dat zweemt met de nostalgie van de vorige eeuw. De verzekeringsman die je alles in vertrouwen kan geven. De identificatiefactor... ach, laat maar. Dat mag niet wegvallen, dat kost kijkers! En daarmee stemmen. Publiciteit staat of valt met de aandacht voor details. Veeg de losse kiezels weg voordat je langs de rand van de afgrond wil lopen! Vertrouw me, ik heb ervaring!’
De minister-president woog de alternatieven af. Enerzijds waren de argumenten van De la Montaigne natuurlijk volkomen belachelijk, anderzijds als deze campagne mislukte dan zou dat hem, de minister-president, wel in een bijzonder lastig parket brengen. In zijn politieke wijsheid besloot hij zijn partijpolitieke kroonprins, de Limburger Jos Stevens, tevens minister van Defensie, een rol in het gebeuren te geven. Als hij zou vallen, dan kon hij in ieder geval eerst nog een trap naar beneden geven. Een groot man heeft schouders nodig, die hem dragen.
Vandaar dat de wachtende ministersploeg door de bode werd verrast, en er nog één persoon middenin de bespreking over de inval in Tadzjikistan apart werd genomen. De overige ministers speculeerden er weer lustig op los.
‘Dus als ik het goed begrijp,’ probeerde de minister van Defensie verschrikt, ‘dreigt de herverkiezing van de partij in gevaar te komen? Dat zou een ramp zijn! De stabiliteit van het land is in het geding!’ ‘Ik vrees dat dat de juiste conclusie is,’ zei de minister-president. ‘Wij vertegenwoordigen het belang van het land. En dus is alles wat in ons belang is, in het belang van het land. Het landsbelang staat op het spel. Ik vind dat we moeten ingrijpen, anders zullen de toekomstige generaties ons nooit kunnen vergeven!’ ‘Ik zal kijken wat ik kan doen,’ bracht de minister van Defensie in. En daarmee was de discussie gesloten.
In zijn zilvergrijze Nissan Sunny zat Roef Noorderligt de Speurdersrubriek in de Telegraaf door te nemen. Hij was al langer op zoek naar een nieuwe auto. In ieder geval een sportief model. De gage van deze opdracht bracht zijn wensdroom weer een spoilertje dichterbij. Nu Doedel binnen was, zat zijn dagtaak er praktisch op. Hij hoefde alleen nog maar te wachten tot het licht van Doedels flat, een-hoog derde links, zou doven. Volgens zijn eerdere rapporten zou dat stipt om 22.00 uur zijn. Toen hij juist weer een nieuwe sigaret wilde opsteken en het pakje onder de Sportlife strips en verschimmelde boterhamzakjes niet kon vinden, viel zijn aandacht op een Volvo die hij eerst niet had opgemerkt. De wagen stond in de schaduw van de lantaarnpaal voor de flat van Doedel. De opvallend onopvallende auto leek te worden bemand door twee figuren met hoekige gezichten en kort stekeltjeshaar. Er zat weinig beweging in de mannen. ‘Verdomd,’ dacht Roef, ‘politie!’ (of geheim agenten, dat was hem om het even). Hij wist niet hoe lang ze daar al stonden. Iets in hem zei dat het nog niet zo heel lang kon zijn, want ze waren nog niet versteend.
De man in de bijrijderstoel bracht langzaam iets, naar wat Roef vermoedde een zender moest zijn, naar zijn mond. Met de hand waarmee Roef net nog naar zijn sigaretten aan het grissen was, zocht hij nu de instelknop van zijn scanner op. Zolang het nieuwe communicatiesysteem van de politie nog niet werkte kon hij hiermee de ouderwets betrouwbare politiezender ontvangen. Natuurlijk wilde de scanner niet meewerken. Hij gaf een forse beuk tegen het apparaat en na nog een klap werd een zacht geruis hoorbaar. ‘Trrrffff trfff biep biep, trfff code Doedel biep biep trff brengt biep land in gevaar brrf biep biep opdracht rechtstreeks minister-president biep biep voorzichtig roger over.’ Woest sloeg Noorderligt op zijn stuur. Dat moest hem weer overkomen! Dacht hij een saaie burgervader te volgen, bleek het een of andere geflipte topcrimineel te zijn. Als hij dat had geweten, dan hadden ze hem daar wel meer voor mogen betalen! Alsof zijn levensverzekering niets kostte! En die mooie meneer Montaigne maar knikken toen hij hem net aan de lijn had. ‘Kaal? Is hij Kaal? Blijf hem vooral in de gaten houden!’ Makkelijk gezegd. Montaigne kende die vent vast alleen van de opsporingsberichten en intussen lag lieve Roef hier in de vuurlinie. Maar dat zou toch zeker niet! Barsten kon Montaigne met die opdracht. Barsten! Als hij een echte James Bond zocht, had hij die maar in moeten huren, maar niet iemand die vooral in de echtscheidingen zit.
Toen Roef Noorderligt even later de deur van Wilhelmina’s opensloeg zat Herman Ypkema aan de bar. Herman staarde naar de schittering van de kolossale bar die een plekje gevonden had tussen modieuze dameslikeuren. Behalve de bokaal herinnerde nog een vergeeld krantenartikel aan de bodybuilders carrière van Jimmy, de barman. Inmiddels was Jimmy’s zorgvuldig opgebouwde spiermassa afgedaald naar zijn pompeuze buik die alleen nog door diverse onderkinnen opgehaald kon worden. Met een licht gevoel van melancholie dacht Herman aan de tijd dat Wilhelmina’s nog gewoon ‘Bij Willy om de hoek’ heette en dat de bar, die met zijn pisgele lichten leek te zijn overgewaaid uit een kermiscarrousel nog gewoon van hout was. Alleen de gokkasten waren gebleven. Hermans vrienden waren één voor één weggegaan: de serieuze journalistiek in, op jacht naar primeurs en zogenaamd schokkende onthullingen. Herman wist wel beter. Herman had ook ooit eens die kans gekregen, maar Herman... Hij dronk zijn bier leeg, bestelde er nog één en nam een flinke teug. De openslaande deur hoorde hij niet.
Roef was nog nooit in Wilhelmina’s geweest. Even knepen al zijn zintuigen samen, zijn bril besloeg, zware shagwolken sloegen op zijn longen en in zijn neus prikkelde de geur van verschraald bier. Noorderligt had een moment nodig om zich te heroriënteren. Voor hem stond een grote leestafel met daarop wat opiniebladen. Ongeopend, want opinie was er genoeg in deze zaal. Snel liet hij zijn geoefende blik over de ruimte gaan. De deuren achter in de zaal sloegen naar buiten open en bij het binnenkomen had hij al een glascontainer voor de deur zien staan. Dat duidde erop dat vanuit de keuken geen directe uitgang naar buiten was. Er was slechts een vluchtweg en dat was deze. Beroepsdeformatie. Aan de bar hingen twee groepen. Een groep makelaars, te oordelen naar hun protserige maatkostuums, hun strak geplombeerde haren met een her en der verdwaalde zonnebril. En een groep met spijkerbroeken en vlotte blazers onder hun leren jasjes. Mogelijk de journalisten, naar wie hij op zoek was.
Aan de met plastic elementen verrijkte houten bar, ontwaarde Roef een zonderling persoon in een verlopen windjack. Naast de groep met de leren jasjes. Noorderligt besloot op deze persoon af te stappen. Hij liep daarbij bijna tegen de barman op (de missing link in het geheel), die juist vanuit de keuken met een enorme portie Hollandse snackmix langs wilde gaan. Voordat Noorderligt de lege kruk naast de zonderling innam maakte hij nog even een inschatting. De man leek op te gaan in het gesprek van het groepje naast hem maar wilde daar ook weer geen deel van uitmaken. De pen uit zijn borstzakje, de slordig gepoetste schoenen, en de schoudertas met daarop het ANP-logo maakten Roef één ding duidelijk. Dit was een man van het ANP. Roef schoof de barkruk dichterbij. Hij staarde even naar de brandplekken op het blauwe tapijt en vroeg op de man af: ‘Zo jij werkt bij het ANP?’ Herman Ypkema schrok op van zijn halfvolle of halflege glasbier (halfleeg zo schatte Roef in) en knikte. ‘Mooi,’ zei Roef, ‘kun je mij vast wel vertellen waar de echte journalisten zitten!’
Ypkema verstijfde. Weer was hij even dat jongetje dat met de gymnastieklessen altijd als laatste gekozen werd. Wanneer kreeg hij eens als eerste het grote stuk vlees toegeworpen, in plaats van alleen de botjes te mogen afkluiven? Wanneer... Nog voor hij deze gedachte had kunnen afmaken, draaiden één van de mannen achter hem zich om en tikte Noorderligt aan. ‘Kijk eens aan, ik ben van de wakkerste krant van Nederland,’ zei hij met een fitheid die Ypkema hem nooit zou kunnen nadoen. Potverdorie, dacht hij, ben ik alweer niet snel genoeg. Noorderligt leek hem inderdaad alweer vergeten, want hij draaide zijn rug naar hem toe en ging op in het groepje mannen met de leren jassen, waar de wakkere journalist deel van uitmaakte. Het groepje hing gretig aan zijn lippen. De uitverkoop van damesschoenen leek te zijn begonnen. Roef deed hun het hele verhaal uit de doeken, hoe hij, Roef Noorderligt, met gevaar voor eigen leven de topcrimineel had herkend toen zijn dekmantel, de hoed, afwaaide. Waarschijnlijk ging het om een terrorist die een aanslag plande, de hele buurt wemelde namelijk van de geheim agenten die hem omzichtig in de gaten hielden. Ypkema luisterde mee, maar hoefde de rest van het verhaal niet meer te horen. Hij had genoeg gehoord en hoefde alleen nog maar met de Noorderzon te vertrekken. Als hij nu als eerste wegging had hij eindelijk voor het eerst in zijn loopbaan zelf nieuws gemaakt.
Maar Ypkema was ook een voorzichtig man. Gelukkig kon hij het hele verhaal verifiëren bij een aantal ‘kennissen’. Allereerst was daar de hoofdcommissaris, die vertelde dat hij over de zaak Doedel geen mededelingen mocht doen. Dat zei natuurlijk al veel. Vervolgens was daar een bevriende bode op het Binnenhof, die bevestigde dat de minister-president en de minister van Defensie uit een belangrijk overleg waren geroepen en dat daarbij ook de naam Doedel gevallen was. Tevreden en met een gerust hart zette Ypkema zijn bericht op de ANP-telex naar alle nieuwsredacties in de wereld. Hij had nieuws!
Met gierende banden scheurde even later een bestelbus met daarin Sjors en Claire van Den Haag Infokanaal richting de Ananasstraat. Hun chef Ronald was het ANP eeuwig dankbaar. Ruim voordat de andere zenders de Ananasstraat hadden kunnen vinden in het opgebroken Den Haag, zou Claire een nationale bekendheid zijn.
Terwijl Claire en Sjors de stoplichten negeerden, liet mevrouw Hekkeling haar Ierse Setter, Snoesje uit in het Aardbeienplantsoen. Mevrouw Hekkeling was ontsteld toen zij in de bosjes op het Aardbeienplantsoen een appelkroostje ontwaarde. Wat moest dat worden met de buurt als mensen nu ook al hun afval op straat deponeerden? En kijk, een eindje verder lag zelfs een hoed. Snoesje had de hoed inmiddels ook ontdekt, trok het vrouwtje hard hijgend erheen en begon het nieuwe spelendingetje gretig te verscheuren. ‘Stop, Snoesje, Stop! Houd op! Houd op!’ Snoesje luisterde wel, maar niet nadat hij over de overblijfselen een zegenende plas had gedaan. Daarmee de eeuwige verdwijning van Bewijsstuk A in de Doedel-affaire bevestigend.
Claire en Sjors arriveerden al eersten in de Ananasstraat. Het probleem van lokale zenders is dat ze nauwelijks bekeken worden. Hun programma’s staan niet in de tv-gids. Hun presentatoren hebben geen bekende gezichten. Het accent wordt niet ondertiteld. De programma’s worden gemaakt door toegewijde mensen die heel hun ziel en zaligheid in hun werk leggen. Daarom is het des te vervelender dat hun inzet verloren gaat in de desinteresse van het kijkerspubliek. Natuurlijk hebben zij ’s middags wel een doelgroep in de bejaardentehuizen en verplegingsinstellingen in het land, maar dat is voor een nieuwsfeit als de verdwijning van de hoed van Jan Doedel natuurlijk nauwelijks relevant. Blijft over het publiek dat aan het eind van de avond, zappend door hun duizend-en-één-zender pakket de barrière van schaars geklede dames heeft weten te overwinnen.
Een van die nachtkijkers was Jacques J. de la Montaigne. Hij lag weggezakt op Afrikaanse Ganzenverendons op het kolossale bed van de zogenaamde ‘Love Suite’ van Hotel des Indes (al werd die naam van kamer 14 natuurlijk slechts zacht fluisterend door het personeel in de mond genomen). Behalve het extra grote bed, de jacuzzi, de engeltjes op het plafond en de grote spiegel aan het hoofdeinde, was deze kamer bijzonder omdat het de enige kamer in het hotel die ook op verzoek per dagdeel was te reserveren. Jacques wachtte totdat Lola Vampirosa zich had opgefrist. Afgaand op de kleding die ze droeg, had dit niet zo heel lang hoeven duren, dus hij was erg benieuwd waar zij mee voor de nacht zou komen. Zo lag hij al zappend op het bed, op zoek naar het betaalkanaal.
Vampirosa was tevreden toen zij de badkamer uitkronkelde, gehuld of liever gestrikt, in een op maat gemaakt Marlies Dekkers setje. Jacques zat immers met wijd open mond op bed. Helaas voor haar was dit niet vanwege het knoopwerk van Marlies, maar doordat zojuist de naam Jan Doedel op tv gepasseerd was. Jacques sprong op, wilde zijn broek aantrekken, vergiste zich in de juiste broekspijp, viel bijna om en zei: ‘Ik moet even weg,’ Lola Vampirosa in de deuropening achterlatend. ‘Man van de verkeerde kant,’ of iets van die strekking siste ze hem na...
De premier keek vanachter zijn bureau vreemd op, toen hij een verwilderde Jacques het Torentje zag binnenstormen. Zijn overhemd fout geknoopt en gulp open. Weer had de minister-president de vergadering moeten onderbreken. De vraag of Nederland Tadzjikistan moest binnenvallen was nog altijd niet beantwoord en spitste zich toe op de vraag of de Tadzjieken voor hun gevallenen al dan niet bereid waren Nederlandse bloemen aan te kopen. Jacques hijgde nog na en de minister-president vond dat zijn adem naar één-dags-kwartelkuikens in knoflooksaus stonk. Toch had Jacques hem snel genoeg uitgelegd hoe precair de situatie was. Om zich gedekt te voelen liet onze minister-president weer de minister van Defensie aanrukken. We luisteren even met Jacques mee: ‘Jan Doedel is onze Jan niet meer. Op tv wordt hij uitgemaakt voor terrorist. Als zoiets eenmaal op tv is geweest, kun je er donder op zeggen dat de andere media niet achterblijven. Het is als een uitbarstende vulkaan. De druk eronder is niet te houden en spoedig zit alles onder vuur en as. Nu al schreeuwt de bevolking om actie. Niets doen is zelfmoord. Maar dit is ook het moment dat je kunt laten zien: hier staat een leider, een man met daadkracht, een man die ons onze veiligheid heeft teruggegeven, die het op durft te nemen tegen het kwaad.’
– ‘Genoeg, genoeg...’ gebaarde de minister-president. ‘Hier herken ik mezelf wel in, maar hoe vetaalt zich dat in actie?’ Jacques J. bleef stil. Inhoud was nooit zo zijn ding.
– ‘Misschien kunnen we de straat versperren, hermetisch afsluiten en de Vruchtenbuurt tot een no-go-area uitroepen?’ opperde de minister van defensie.
– ‘Wekken we dan niet de indruk dat er werkelijk een gevaar bestaat?’
– ‘Als we nu eens de luchtmacht de flat laten bombarderen, hebben we én laten zien dat we terrorismebestrijding serieus nemen, én we zijn van Jan Doedelgedoe af.’
– ‘Wat als we dan de verkeerde flat bombarderen?’
– ‘Kan onze minister van Volkshuisvesting daar niets voor verzinnen?’
– ‘Wacht even,’ kwam Jacques tussenbeide, ‘als we het puur vanuit pr-standpunt bekijken, draven jullie een beetje door.’
– ‘Wat zijn dan de alternatieven?’
– ‘Dat weet ik zo een-twee-drie niet. Als die Jan Doedel maar niet zijn hoed verloren had, dan zaten we nu niet met zo’n probleem!’
– ‘Van wie kwam dat idee met die Jan Doedel?’ sneerde de minister van defensie.
– ‘En waar zat het lek?’ pareerde Jacques.
– ‘Heren, heren!’, greep de minister-president in. ‘We moeten in deze moeilijke tijden het hoofd koel houden. Laten we een extern onderzoeksbureau inschakelen.’
Dat vond iedereen een goed idee. En zo stond enkele minuten later de man, die die mooie statistieken over Doedels middelmatigheid had opgesteld op de speaker van de Torentjestelefoon. ‘Kunnen we Jan Doedel niet vragen om gewoon met ons mee te werken?’ vroeg de minister hem vertwijfeld.
– ‘De kans dat we hem nog kunnen bereiken is 1,4 %,’ antwoordde de man die de mooie statistieken over Doedels middelmatigheid had opgesteld en die nu op de speaker stond. ‘70% van de mensen opent namelijk na 20.00 uur de deur niet meer uit angst voor dieven of collectanten. Uit onderzoek is gebleken dat als hun voornaam Jan is en ze bovendien schoenmaat 42 hebben, dit percentage 98% is. De kans dat ze een 06-nummer hebben dat niet in de telefoongids vermeld staat is als hun lievelingsgerecht nasi is en ze een hekel hebben aan langharige bordercollies, zoals voor Jan Doedel opgaat, 99,9% . Dat maakt het vrijwel onmogelijk om hem vannacht nog te benaderen.’
– ‘Bestaat er een kans dat Jan Doedel misschien nog een andere hoed in huis heeft liggen,’ vroeg Jacques, enthousiast geworden door deze nieuw aangeboorde bron van kennis.
– ‘Interessante stelling,’ was het antwoord, ‘voorzover ik weet, is de kans dat hoeddragers nog een tweede hoed hebben nog nooit onderzocht. Maar dat weet ik niet zeker.’
– ‘Er is dus nog een kans!’ veerde Jacques J. op. De minister president was minder enthousiast:
– ‘Maar wat zou dat dan nog voor verschil maken? Doedel is onbruikbaar geworden in de campagne.’
– ‘Maar zien jullie dat dan niet? Als we het slim spelen heeft straks niemand het meer over Doedel als terrorist. Onze campagne kan gewoon worden voortgezet! Het effect zal des te groter zijn! De hoed wordt het middelpunt van onze nieuwe marketingmix. Met de hoed zit je goed! Stel je voor het rijtje van grote staatsmannen uit onze geschiedenis: de borstel van Kok, de glanzende schedel van Fortuijn, de Potterslag van Balkenende; allemaal successen in de evolutie. En dan nu onze herbenoemde premier!’
– ‘Ik geloof niet dat ik u hele maal volg...’
– ‘Snappen jullie het dan niet? Het is zo simpel. Als Doedel straks opendoet, zetten we het team van “Shownieuws” vooraan. En hier komt het... we zetten jou, als minister-president, leider van de natie, voorop met ook een hoed op!... Klaar!’
– ‘Klaar?’
– ‘Klaar! Let op: wie ziet er nog het verschil tussen nieuws en films? Niemand toch? Het publiek wil geen films die slecht aflopen. Het goede wint altijd van het kwade. Zo moet het in het nieuws ook. En we hebben hier een kaskraker met een plot uit de boekjes. De slechterik blijkt geen slechterik te zijn en wordt direct liefdevol opgenomen in de armen van zijn familie. De verloren broer keert terug. Gegarandeerd zakdoekenwerk! Ik heb een alternatief: zie je liever dat de leider van het volk publiekelijk op de knieën moet voor ene Jan Doedel? Omdat die Jan Doedel per ongeluk is aangezien voor staatsgevaarlijk element? Omdat per ongeluk de campagnestrategie van precies dezelfde minister-president is uitgelekt?’ De minister president moest onwillekeurig even slikken. ‘Het publiek slikt ons verhaal alleen,’ draafde Jacques door, ‘als ze het “live” met eigen ogen kunnen zien. Zonder woorden moet duidelijk zijn dat hier sprake is van twee juist verenigde broers en een afschuwelijk misverstand. Dus skip het lulverhaal dat we voor “Shownieuws” in gedachten hebben. Veel te lang! Het moet on-spot, voor het oog van de camera’ s, right-away, duidelijk zijn. Hier staan twee broers, na al die jaren herenigd, niks terrorisme! Eind goed, al goed, slotlied, aftiteling...’
– ‘Maar we lijken niet eens op elkaar!’, wierp de minister-president tegen.
– ‘Zorg er gewoon voor dat je een hoed op hebt’, ratelde Jacques.
– ‘En al wat je hoeft te zeggen is: “Mijn broer...” en je spreidt je armen. Wat is er in hemelsnaam nog meer voor nodig als je twee mannen met een hoed ziet? Alle verdere overeenkomsten zijn met zo’n kolossale puist op de kop toch verder overbodig? Is tegenwoordig het dragen van een hoed niet zo’n kwaal die alleen van vader op zoon, van broer tot broer, kan zijn overgeërfd? Twee hoeden, twee broers. Helemaal duidelijk. Nee, daar hoeven we ons geen zorgen over te maken. En zoals ik al zei, zou die hoed je ook in de verdere campagne prima staan!’
– ‘En als hij zijn hoed niet op heeft?’
– ‘Ja,’ antwoordde Jacques met tegenzin, ‘bij een Jan zonder hoed zijn we reddeloos verloren...’
In Wilhelmina’s gleed Roef Noorderligt van zijn kruk af. Hij wankelde, staarde wat naar het tapijt en dacht een patroon in de brandvlekken te kunnen ontdekken. De dubbele whiskey die hij bij de laatste ronde had genomen, was van plan geweest de terugweg op te zoeken, maar zijn tong had deze kunnen afsnijden. De goede vrienden die hij zojuist had gemaakt, waren plotseling verdwenen en hadden hem laten zitten met de drankrekening: een flinke hap uit de lichtmetalen velden die hij met zijn net verkregen voorschot had willen betalen. Hij worstelde wat met zijn broekzakken, maar kon zijn autosleutels maar niet vinden. Even keek hij op naar de spiegel achter de bar, trok een grijns en het viel hem op hoe knap hij was gebleven in al die jaren.
Jacques J. de la Montaigne had heel wat films van Lola Vampirosa gezien, maar hij had nooit kunnen denken dat dat muizenstemmetje tot zulke tijgerachtige uithalen in staat was. Ergens was hij wel blij dat er een deur was die hen scheidde, hij had immers geen kennis willen maken met haar nagels (althans niet in deze context). Lola weigerde hem binnen te laten en had zijn openstaande aktetas met gehele inhoud, stropdas, onderhemd en zelfs zijn €2.500 kostende nieuwe toupet op de gang van het hotel gesmeten. Verder was hij blij dat het Amerikaanse gezelschap dat in de gang stond mee te luisteren de Nederlandse taal niet machtig was. Hij vroeg zich af of er in het Engels net zoveel creatieve scheldwoorden bestonden. De sussende woorden die hij zelf in de mond wilde nemen, gleden weg in de hysterie. Toen de hotelmanager polshoogte kwam nemen, liet hij zich gedwee naar buiten voeren. Hij hoopte maar dat door dit voorval zijn entree in de artiestenwereld niet helemaal was verziekt.
Echtpaar van der Sloot had zich voor de televisie verschanst. Zo vaak kwam de straat immers niet op tv en het eten van zoutjes vanachter de vitrage had ook iets banaals. Ze hoopten maar dat die Doedel snel zou worden opgepakt. Dat was voor de buurt en voor de huizenprijzen tenslotte het beste.
Oorlogsjournalist Michiel Beenbreuk van de NOS vatte buiten te midden van een tiental collega’s het geheel nog even samen: ‘De spanning in het gebied is nu duidelijk voelbaar en neemt van minuut tot minuut toe. Onze bronnen zeggen dat Jan D. buitengewoon gevaarlijk is. Hij schijnt door de politie te zijn herkend toen zijn dekmantel, een hoed, afwaaide. De bewoners zijn ongerust en bang of ze hun huizen nog wel veilig uit kunnen komen. Algemeen wordt verondersteld dat de bewuste terrorist Jan D. vermoedelijk de schuilnaam van Mohammed C. (eerstvolgend na Mohammed A. en Mohammed B.) zich nog altijd in huis bevindt. De autoriteiten laten het echter nog altijd afweten. In een officiële mededeling zegt het Openbaar Ministerie nog altijd geen mededelingen te kunnen doen omtrent de identiteit van dhr. Doedel. De politie heeft het gebied nog niet durven te betreden, we kunnen er echter vanuit gaan dat er voorbereidingen worden getroffen voor een verrassingsactie van de arrestatieteams.’ Wat dat laatste betreft zou Beenbreuk best wel eens gelijk kunnen hebben. In de Vruchtenbuurt stonden er immers opvallend veel opvallend onopvallende Volvo’s geparkeerd.
In die nacht zal de grootste druk zal echter gelegen hebben op onze minister-president. De beweging en tekst die hij moest maken als Jan Doedel een hoed op zou hebben had hij uit den treure met Jacques gerepeteerd. Maar wat als Doedel nu eens geen hoed op zou hebben? Dan zou het excuus van de familieband vervallen zoals Jacques beweerde. Wat kon hij dan als uitvlucht bedenken om ongewapend bij een vermeende terrorist op de deurmat te staan? Iets in hem knaagde dat er gaten zaten in het verhaal van De la Montaigne. Maar er zat niets beters op dan de broederliefde te veinzen voor een broer die hij nooit had gehad. Hij zou het zo goed moeten spelen dat het boven elke twijfel verheven was. En ‘goed’, dat kon alleen met een hoed.
Zoals u zult begrijpen, bleef het die nacht onrustig in de Ananasstraat. Ook de lieflijke zang van de merels in het Aardbeienplantsoen kon dit bij het krieken van de dag niet verhullen. De inval van het leger was uitgebleven. Wel hield de politie de cameraploegen op afstand. Toen de zwartgeblindeerde auto van de minister-president aan kwam rijden, gloorde er hoop bij de aanwezige journalisten. De vermoeidheid van het lange wachten was verdwenen. Het duurde echter nog tot 8.00 uur voordat er bij de flat beweging werd gesignaleerd. Precies zoals de man die de mooie statistieken had opgesteld, had voorspeld. Jan Doedel kwam naar buiten met een gele tweed-pet op, die vloekte bij zijn beige overjas.
zaterdag 30 januari 2010
Inge Hulsker
Korte Verhalen I (Het Koorenhuis, oktober 2009-januari 2010)
De leugen regeert
Aan het gepiep van de deur hoort Connie dat Hans thuiskomt. Zonder zijn gebruikelijke ‘Hai schat!’ loopt hij de gang in, hangt zijn jas aan de kapstok en loopt de huiskamer in. Zoals gewoonlijk komt Connie naar hem toe om hem te groeten, maar als ze zijn bedrukte gezicht ziet, stopt ze abrupt. ‘Is er wat?’ vraagt ze haar man. Hij knikt alleen maar. Hij kijkt haar maar even aan en buigt dan zijn hoofd. Zwijgend lopen ze naar de ronde eettafel. Ze gaan ieder op hun vaste plekje zitten. Hans kijkt naar zijn handen, terwijl Connie geduldig probeert te wachten. Ze kijkt naar het schilderij aan de muur naast de eettafel. Het schilderij is gemaakt door haar zus. Ze heeft het hun cadeau gedaan toen ze twaalf en een half jaar getrouwd waren.
Hans schraapt zijn keel. Connie kijkt hem aan. Zijn vreemde gedrag maakt haar zenuwachtig. ‘Je weet,’ begint Hans, ‘dat ik de laatste tijd wel eens op bezoek ga bij een bewoonster in mijn postroute.’ Hij lijkt zijn woorden zorgvuldig te kiezen. Connie fronst. Ze heeft al verschillende keren duidelijk laten merken dat ze niet blij is met zijn bezoekjes aan die vrouw. En telkens heeft hij dat afgedaan met ‘Ach, het heeft niets te betekenen. Heeft dat mens eens een verzetje.’ Zou hij dan toch iets te bekennen hebben over die ‘onschuldige’ bezoekjes? ‘Vandaag kwam ik achter haar echte naam,’ gaat Hans verder. Hij laat even een pauze vallen en zegt dan zachtjes: ‘Joke Bakhuis.’
Connie voelt de adem in haar keel stokken. Ze kan geen woord uitbrengen. Joke Bakhuis! Ze springt op van haar stoel en begint in de keuken te rommelen. Ze ruimt de vaatwasser uit en weer in, schenkt een biertje in voor Hans, zet die zonder iets te zeggen voor zijn neus, en gaat druk met pannen in de weer. Ze voelt de blik van Hans in haar rug. Ze wil hem van alles vragen, maar tegelijkertijd heeft ze het gevoel dat ze de antwoorden niet wil weten.
Het is bijna twintig jaar geleden dat Joke haar leven verwoestte en Connie heeft al lang een prima nieuw leventje opgebouwd. Waarom voelt ze zich toch weer zo woedend als ze haar naam hoort? Nog jarenlang heeft ze zich opgewonden over Joke. Ze heeft haar op internet opgezocht, omdat ze gewoon móest weten hoe ze eruit zag, wie ze was. Maar een paar jaar geleden had ze de hele zaak eindelijk naast zich neer weten te leggen. Toen besloot ze eindelijk het verleden te laten rusten. Waarom kon het verleden haar dan niet met rust laten?
Ze heeft zwijgend het eten gekookt. Nu draait ze de gaspitten uit, giet de aardappels af en zet de pannen op tafel voor Hans, die daar al een half uur onbewogen zit. Ze gaat op haar plek zitten en schept beide borden vol. Hans kijkt haar aan en opent zijn mond om iets te zeggen, maar Connie schudt haar hoofd en Hans doet gauw zijn mond weer dicht. In stilte beginnen ze te eten. Connie laat haar blik weer afdwalen naar het schilderij van hun twaalf en een half jarige huwelijksdag. Ze slaakt een diepe zucht en vraagt Hans: ‘wat wil ze van je?’ Het is nauwelijks een echte vraag. Connie heeft voor zichzelf het antwoord al helder.
Hans kent haar verleden met Joke. Connie had het hem in horten en stoten verteld toen ze pas bij elkaar waren. Toen ze 17 was, was ze helemaal hoteldebotel van haar vriendje Mark. De twee waren al drie jaar samen, wat op die leeftijd een eeuwigheid lijkt. Connie kon haar geluk niet op. Mark was lief en stoer tegelijk. Ze was altijd trots om met hem gezien te worden. Hij kon soms ineens van slag zijn en zich een paar dagen niet laten zien, maar daarna overlaadde hij haar met aandacht en cadeautjes, zodat ze weer helemaal dol op hem was. Op een dag was Mark met gebogen hoofd zwijgend naar haar toe gekomen, net zoals Hans er vandaag uit had gezien. Met tranen in zijn ogen had Mark haar bekend een ander te hebben. Ze had zelfs eerst gelachen, omdat ze dacht dat het een grap moest zijn. Ze kon zich gewoon niet voorstellen dat hij stiekem met een ander was, terwijl hij haar aan het lijntje hield. Maar toen de tranen over Marks wangen liepen, moest ze onder ogen zien dat het echt waar was. Ze was in tranen uitgebarsten en had een paar keer ‘waarom?’ geroepen. Hij had iets gestameld over andere verlangens. Ineens had ze het over een andere boeg gegooid: ‘Waarom vertel je me dit nu?’ ‘Omdat ik nog iets moet vertellen,’ had Mark moeizaam uitgebracht. En dat was het moment dat Connie er achter kwam dat ene Joke een baby verwachtte van háár vriend.
Nu schudt Hans zijn hoofd, kijkt Connie in de ogen en legt zijn hand op haar hand. ‘Het gaat niet om wat zij van mij wil,’ zegt hij scherp. ‘Ik kies er zelf voor om haar op te zoeken. We hebben het gezellig. En toen ik er vandaag achterkwam wie ze is, kon ik niet geloven dat dit dezelfde persoon is als de Joke uit jouw verleden.’
– ‘Waarom niet?’ stamelt Connie. Hans sluit zijn ogen even en schudt weer zijn hoofd.
– ‘Wat is er wèl waar van wat je me verteld hebt?’ Connie kan hem niet volgen.
– ‘Hoe bedoel je?’
– ‘Joke heeft me haar kant van het verhaal verteld. Zij vertelde dat jij Mark van háár hebt afgepakt!’
– ‘Wat?! Hoe durft dat mens!’
– ‘Ik heb haar jouw verhaal verteld. Dat is dus echt de waarheid?’
– ‘Natuurlijk!’ Hans kijkt haar zwijgend aan. ‘Je gelooft me toch wel?’ vraagt Connie, haar ogen tot spleetjes geknepen. Als Hans niet direct antwoord geeft, bijt ze hem toe: ‘Oh natuurlijk, geloof een gestoord mens dat je haar huis in lokt tijdens je werk. En vooral niet je eigen vrouw!’ Met die woorden stormt ze het huis uit. Hans zit nog steeds roerloos aan tafel als hij haar met de auto de oprit af hoort rijden.
Met een diepe zucht staat Hans op van zijn stoel. Hij zet de computer aan. Hoe heette die Mark verder? Verschoor? Vergeer? Verhagen! Hij typt ‘Mark Verhagen’ in de zoekmachine en wacht. Hij heeft nooit eerder aan het verhaal van zijn vrouw getwijfeld. Waarom zou hij ook? Maar nu... Joke leek zo oprecht verbaasd. Hij kon zich echt niet voorstellen dat dat geacteerd was. Er is maar één persoon die echt de waarheid kan onthullen. Mark Verhagen.
Mark blijkt een pagina op Hyves te hebben. Er staat een foto van Mark, spelend op een gitaar. Maar of dit de goede Mark Verhagen is, weet Hans niet. Hij klikt op ‘profiel’. Mark heeft een lange lijst favoriete artiesten. Bij beroep staat ‘gitarist bij U22’. Bij scholen staat het St. Jozef college! De school waar Connie op zat! Hij heeft de goede Mark gevonden!
Hij klikt op een link naar de pagina van de band U22, het blijkt een U2 coverband te zijn. Na even zoeken op de schreeuwerige site vindt Hans een agenda met aankomende optredens. Hij voelt zijn hart een slag overslaan als hij ziet dat de band morgen in Thorn optreedt! Dat is nog geen kwartier hier vandaan. Dit moet de kans zijn om het hele gedoe op te lossen. Morgenavond om 8 uur in het buurthuis van Thorn. Het moet vast wel lukken om Mark te spreken te krijgen. Maar hoe krijgt hij Connie zover om met hem mee te gaan? En Joke... zou hij haar ook op een of andere manier daarheen kunnen krijgen?
Als Connie een uur later nog steeds niet thuis is, begint Hans zich toch een beetje zorgen te maken. Hij heeft haar mobiel al een keer gebeld, maar hoorde die in de hal overgaan. Als ze maar niks doms zal doen. Hij schrikt op als de telefoon gaat. Snel pakt hij de hoorn op. ‘Hans Hoogendoorn.’
– ‘Dag Hans, met An.’ De zus van Connie. ‘Ik wilde je even laten weten dat Connie hier blijft slapen vannacht.’
– ‘Wat? Dit is belachelijk, geef me Connie even alsjeblieft.’ Het is heel even stil, maar dan zegt An weer:
– ‘Ze wil je niet spreken.’
– ‘Oh,’ jammert Hans, ‘ze maakt dit allemaal veel groter dat het is. Er is eigenlijk niks aan de hand, An!’
– ‘Nou, daar denkt Connie anders over,’ zegt An afgemeten. Hans kan het altijd prima vinden met zijn schoonzus, maar hij had natuurlijk niet anders kunnen verwachten dan dat zij aan de kant van haar zus zou staan.
– ‘Luister An. Ik wil het goed maken. Ik wil Connie morgenavond mee uit nemen. Om half 8. Vraag haar alsjeblieft om dan met me mee te gaan. Zeg haar dat het me spijt en dat ik het goed wil maken.’ Hij hoort An alleen zeggen:
– ‘Hij zegt dat...’ daarna legt ze waarschijnlijk haar hand op de hoorn. Het duurt even, maar dan klinkt An’s stem weer. ‘Oké, ze staat morgen om half acht klaar.’ Voor hij iets terug kan zeggen, hangt ze op.
Nou, dan moet het morgenavond dus echt gaan gebeuren. Hans pakt weer de telefoon en belt Joke. Ze is verbaasd als ze zijn stem hoort. Hij heeft haar ook nog nooit eerder gebeld. Ze spreken elkaar altijd alleen bij haar thuis. ‘Ik wil je graag uitnodigen voor een optreden van een U2 coverband,’ zegt Hans. Hij houdt zijn adem in.
– ‘U2? Dat is toch dat Ierse stel? Dat vind ik wel wat. Goh, wat attent van je om aan mij te denken.’ Hans laat zijn adem ontsnappen.
– ‘Ja, ik dacht dat je dat wel leuk zou vinden,’ liegt hij. Wat een geluk! ‘Het is morgenavond om 8 uur in het buurthuis van Thorn.’
– ‘Leuk!’
– ‘Uhm, kun je zelf daarheen komen? Ik moet ’s middags al daar in de buurt zijn, dus ik ga gelijk door.’ Hans is zelf verbaasd hoe makkelijk de leugens komen. Hij denkt zelf altijd dat hij niet goed kan liegen, maar Joke lijkt geen enkele achterdocht te hebben.
– ‘Geen probleem, hoor. Ik weet het wel te vinden. Acht uur, hè? Nou tot morgen dan!’
– ‘Oké, tot morgen!’
***
Nerveus kijkt Hans op zijn horloge. Hij zit tegenover An op een ongemakkelijk stoel.
– ‘Ze komt zo hoor,’ zegt ze geïrriteerd. Hans trekt gauw zijn mouw weer over zijn horloge. Hij knikt naar zijn schoonzus en kijkt dan weer uit het raam. De klok lijkt steeds harder te gaan tikken. Hans hoopt maar dat ze niet te laat komen. Misschien vertrekt Joke weer als hij er niet blijkt te zijn. Maar wat als zijn plan wel goed loopt? Hij heeft eigenlijk nog niet veel verder gedacht dan Connie, Joke en Mark bij elkaar in één ruimte te krijgen. Hij vangt de blik van An op, die kwaad naar zijn voet kijkt, waarmee hij ongemerkt op de vloer heeft zitten tikken. Hij houdt meteen zijn voet stil. Dan klinken er eindelijk voetstappen op de trap. Hans springt op en reikt Connie onderaan de trap zijn hand aan.
– ‘Je ziet er mooi uit,’ probeert hij. Ze loopt langs hem heen en kust haar zus op de wang.
– ‘Bedankt voor alles.’
– ‘Succes,’ antwoordt An met een minachtende blik op Hans.
Connie kijkt hem niet eens aan terwijl ze de deur uit loopt. Hans heeft de autosleutels in zijn handen, maar Connie loopt naar de bestuurderskant en gaat achter het stuur zitten. Ze hebben in de beginjaren van hun relatie regelmatig geruzied over wie er mocht rijden. Connie vond dat ze gewoon om de beurt konden rijden, maar Hans vond het geen gezicht als een vrouw achter het stuur zat en de man er naast. Pas na een paar jaar had Connie toegegeven, en liet ze Hans rijden als ze met z’n tweeën ergens heen gingen. Tot vandaag dan. Hans houdt wijselijk zijn mond en overhandigt Connie de sleutel terwijl hij in de bijrijdersstoel gaat zitten.
Connie houdt meestal wel van een beetje doorrijden, maar er lijken alleen maar treuzelaars op de weg te zitten vanavond. Bij zijn zoveelste vloek zegt Connie geïrriteerd: ‘Ontspan je toch! Dat bandje kan best zonder ons beginnen hoor.’ Hans knikt en probeert minder opvallend hun medeweggebruikers te vervloeken.
Eindelijk rijden ze de straat van het buurthuis in. Ze rijden weer achter een bijzonder trage auto. Hans vraagt zich net af of er soms ook een bingo is vanavond, als hij plotseling de remlichten van de auto in zijn gezicht ziet schijnen. Veel te dichtbij! Connie trapt hard op de rem, maar te laat. Hun auto klapt op de trage auto! Geschrokken kijken Hans en Connie elkaar aan. Ze zijn in orde, ze reden ook zo langzaam. Hans vloekt. Allebei stappen ze uit de auto. Hans loopt om de voorkant heen en loopt achter Connie aan naar het portier van de andere auto. De bestuurder stapt al uit. De tirade die Hans al in zijn hoofd had, blijft op zijn lippen hangen als de bestuurder zich naar hen toe draait.
– ‘Jij!’ roept Connie verbijsterd uit tegen de stomverbaasde Joke.
– ‘Connie!’ roept zij uit, dan schiet haar blik naar Hans. ‘Heb jij haar hier gebracht?’ Connie werpt Hans een vuile blik toe en zegt: ‘Ik ben zijn vrouw!’
– ‘Wat? Ik wist niet dat je getrouwd was!’ Connie geeft Hans een stomp tegen zijn schouder.
– ‘Was je dat vergeten te vertellen tegen je vriendinnetje?’ bijt ze hem toe. ‘Ik ben weg!’ Ze loopt terug naar de auto.
– ‘Nee, wacht!’ roept Hans wanhopig. Hoe had dit ooit een goed plan geleken? ‘Wacht even, alsjeblieft,’ smeekt hij Connie. Hij heeft haar arm gegrepen om te voorkomen dat ze weer in de auto stapt. ‘Luister,’ zegt hij eerst tegen Connie, en dan tegen Joke, die aan de grond lijkt vastgenageld op de plek waar ze uit haar auto is gestapt. ‘De band die hier vanavond optreedt, daar speelt Mark in.’
– ‘Wat? Mark!?’ roepen de twee vrouwen door elkaar.
– ‘Ik wil alleen maar achter de waarheid komen.’ Hans verheft zijn stem om boven hen uit te komen. ‘Jullie spreken elkaar tegen.’
– ‘Dus ik ben hierheen gelokt, omdat jij je wat wijs laat maken door haar?’ vraagt Connie haar man met veel te hoge stem.
– ‘Luister,’ zegt Hans weer. ‘Joke, wat heeft Mark jou aangedaan?’
– ‘Dat weet zij het beste,’ zegt Joke kinderachtig. ‘Hij heeft met haar aangepapt. En toen zij zwanger was, heeft hij mij gedumpt.’ Connie’s ogen lijken bijna uit hun kassen te springen.
– ‘Je draait het verhaal gewoon om! Denk maar niet dat iemand nou ineens medelijden met jou krijgt.’ Daarbij werpt ze nog een kwade blik op Hans.
– ‘Wat? Jíj hebt het verhaal omgedraaid!’ kaatst Joke terug. ‘Blijkbaar ben je niet meer met Mark. En het kind?’ Connie gooit wanhopig haar armen in de lucht.
– ‘Het kind! Dat wil ik wel weten ja. Waar is je kind?’ Ineens buigt Joke haar hoofd.
– ‘Ik kan helaas geen kinderen krijgen,’ zegt ze, nu een stuk zachter. Connie valt stil. Hans verwacht dat ze elk moment kan uitvallen tegen Joke over weer een leugen. Snel valt hij in nu hij de kans krijgt.
– ‘Alsjeblieft, Connie,’ hij durft haar niet met het gebruikelijke ‘schat’ aan te spreken. ‘Laten we naar binnen gaan en Mark spreken. Dan kunnen we dit voor eens en altijd oplossen.’
– ‘Waarom geloof je me niet gewoon?’ vraagt Connie, plotseling heel moedeloos.
– ‘Ik geloof je wel, maar ik geloof Joke ook.’ Hij kijkt even naar Joke, die nog steeds met gebogen hoofd staat. ‘Daarom denk ik dat Mark tegen jullie allebei gelogen heeft.’
***
Hans loopt naar een man die bezig is met de microfoons op het nog lege podium. ‘Pardon, meneer, ik zou graag met Mark Verhagen spreken.’ De man kijkt hem ongeïnteresseerd aan.
– ‘De bandleden komen na het optreden de zaal in.’ Hij draait zich alweer om, maar Hans dringt aan.
– ‘Alstublieft, het is heel dringend. Kunt u hem vragen of we hem even kunnen spreken.’ De man kijkt hem even zwijgend aan. Hans hoeft niet erg zijn best te doen om een wanhopig gezicht op te zetten.
– ‘En wie is “we”?’ vraagt de man. Hans kijkt om naar Connie, die hem nog steeds met een roodaangelopen gezicht staat aan te kijken, en naar Joke, die met haar armen over elkaar bij de deur is blijven staan, alsof ze elk moment kan besluiten te vertrekken.
– ‘Hij kent mij niet, maar wilt u hem zeggen dat Connie Lankhorst hier is.’
– ‘Oké,’ zegt de man alleen maar, en loopt het toneel af. Hans draait zich om naar Connie.
‘Alsof Mark nou aan zal komen rennen,’ merkt Connie op. Maar nog geen minuut later komt Mark naar ze toe lopen.
‘Connie, je bent het echt!’ zegt hij ongelovig. Zijn ogen gaan naar Hans en dan naar Joke. ‘Joke?’ Joke is met haar armen nog steeds over elkaar iets dichterbij gekomen. Ze knikt met een scheef glimlachje als antwoord op zijn vraag. De kleur kruipt vanuit Marks kraag omhoog naar zijn kruin. ‘Jullie allebei hier...?’ weet hij uit te brengen, van de één naar de ander kijkend. Hij staat even te hakkelen voordat het hem eindelijk lukt een zin te vormen. ‘Kennen jullie elkaar?’
– ‘Nu wel, ja,’ antwoordt Connie.
– ‘Daar had jij zeker niet op gerekend?’ valt Hans in.
– ‘Ik? Nou... eh...’ hakkelt Mark. Hij blijft nerveus naar Joke en Connie kijken. De zweetdruppeltjes zijn op zijn voorhoofd te zien.
Als het Hans te lang duurt, zegt hij: ‘Volgens mij heb jij hun allebei hetzelfde verhaal voorgelogen, om zo van allebei af te komen. Je had er alleen niet op gerekend dat ze elkaar zouden spreken.’ Marks gezicht wordt nog iets dieper rood.
– ‘Wie ben jij eigenlijk?’ vraagt hij dan ineens. Hans slaat zijn armen over elkaar.
– ‘Hans, ik ben de man van Connie,’ zegt hij. Dan voegt hij daaraan toe: ‘En de postbode van Joke. Klein wereldje, hè?’ Mark knikt.
– ‘Ehm, misschien moeten we even gaan zitten en praten. Maar ik moet over 5 minuten optreden,’ voegt hij daar snel aan toe.
– ‘Ze kunnen wel even wachten,’ besluit Hans.
Hij wijst naar een tafeltje en Mark gaat daaraan zitten. Hans neemt op de stoel tegenover hem plaats. Hij ziet hoe Connie haar stoel eerst iets dichter naar Hans toeschuift, voordat ze gaat zitten. Joke legt haar armen over elkaar op tafel. ‘Oké, Mark, wat is de waarheid?’
Mark slikt zichtbaar en kijkt even naar de drie gezichten die hem aankijken. Hij zucht diep en zegt dan:
– ‘Goed, ik wist dat ik de waarheid een keer zou moeten vertellen. Het is wel tijd, denk ik.’ Connie rolt met haar ogen, maar houdt haar mond. Ze is toch wel benieuwd wat hij te zeggen heeft. ‘Goed,’ zegt Mark weer. ‘Wij waren al een paar jaar samen,’ richt hij zich tot Connie, ‘toen ik Joke leerde kennen. We waren gewoon vrienden, maar het leek me verstandig om het niet tegen jou te zeggen. En ik vertelde Joke ook niet over jou.’ Joke schudde haar hoofd.
– ‘Was je toen al een paar jaar met Connie!? Dan had je toch niks met mij te zoeken?’ Mark haalt verontschuldigend zijn schouders op.
– ‘Ik vond jou ook leuk,’ zegt hij eenvoudig. Hans moet een lach onderdrukken. Zij zijn nooit een jongen van zestien geweest, ze moesten eens weten! Tegen Connie vervolgt Mark: ‘Al gauw bleek Joke wel geïnteresseerd te zijn. Ik voelde me gevleid. Het kwam in me op dat jullie elkaar nooit zouden spreken. Voor zover ik wist hadden jullie ook geen gemeenschappelijke vrienden. Het leek me toen een perfecte oplossing.’ Hij kijkt even naar de verontwaardigde gezichten van beide vrouwen. ‘Nu zie ik natuurlijk ook wel wat een eikel ik was, maar ja, ik was zestien! Ik was nog niet wijzer.’
– ‘Hoe lang heb je dat volgehouden?’ vraagt Connie.
– ‘Een paar maanden maar. Toen raakte ik nogal in de knoop.’
– ‘Hoe bedoel je, in de knoop?’ vraagt Joke.
– ‘Ach, ik had wat problemen,’ antwoordt Mark vaag. ‘Ik merkte dat ik er een behoorlijk zooitje van had gemaakt met jullie. En andere dingen liepen ook niet zoals ik wilde. Ik zag er geen gat meer in. En omdat ik toch om jullie beiden gaf, wilde ik jullie dat verdriet niet aandoen. Het leek me beter als jullie me zouden haten, voordat...’
– ‘Oh!’ schrikt Connie. Hans kijkt haar aan. Hij begrijpt niet helemaal waar Mark heen wil, en aan Joke’s gezicht te zien, snapt zij er ook niet veel van. ‘Je wilde...?’ zegt Connie zacht, terwijl ze een hand op Marks arm legt. Hans trekt zijn wenkbrauwen op. Ze had twee minuten geleden nog een hekel aan deze man, en nu kijkt ze hem met tranen in haar ogen aan! Mark knikt naar Connie.
– ‘Ik wilde er een eind aan maken,’ zegt hij zachtjes.
Nu is het de beurt aan Hans en Joke om ‘Oh!’ te zeggen. Joke weet duidelijk niet welke vraag ze eerst moet stellen. Ze opent een paar keer haar mond en sluit die dan weer. Uiteindelijk vraagt ze: ‘Wat heeft je daarvan gered?’
– ‘Ik had een afscheidsbrief geschreven. Die vond mijn broer op tijd.’
– ‘Gelukkig,’ zegt Joke. Mark kijkt haar dankbaar aan.
– ‘Het spijt me echt dat ik jullie verdriet heb gedaan. Je snapt wel dat ik jullie daarna nooit meer heb durven opzoeken. Dan zou ik de hele waarheid op moeten biechten.’
– ‘Dat heb je nu alsnog gedaan.’
– ‘Ja.’ Er verschijnt een waterig glimlachje op zijn gezicht. ‘Het lucht eigenlijk wel op. Ik hoop dat jullie me ooit kunnen vergeven.’ Op dat moment komt de man van het geluid naar hun tafeltje toe.
– ‘Mark, soundchecken,’ zegt hij kortaf. Mark staat op en haalt twee visitekaartjes uit zijn zak.
– ‘Sorry, maar ik moet gaan. Blijf alsjeblieft kijken als jullie willen. En hou contact.’ Hij legt een visitekaartje voor Joke op tafel, en één voor Connie en loopt naar het podium.
Zwijgzaam zitten Connie en Joke elkaar aan te kijken. Hans zit ongemakkelijk van de één naar de ander te kijken. Hij heeft het gevoel dat hij zijn mond moet houden, maar het ziet er ook niet naar uit dan één van de dames iets gaat zeggen.
Ineens staat Connie op. ‘Ik wil naar huis,’ zegt ze tegen Hans. Hans kijkt haar verbaasd aan.
– ‘Wil je niet...’ begint hij met een handgebaar naar Joke.
– ‘Jawel,’ zegt Connie meteen. Tegen Joke voegt ze daaraan toe: ‘Maar ik wil eerst mijn gedachten op een rijtje zetten.’ Joke knikt begripvol. Zij staat ook op en zegt:
– ‘Dat lijkt mij ook een heel goed idee. We spreken elkaar later. Jullie weten me te vinden.’ Ze draait zich om en loopt de zaal uit. Hans kijkt haar met open mond na, en draait zich dan naar Connie. Ze kijkt even in zijn verbaasde gezicht en zegt:
– ‘We kunnen beter even nadenken voor we wat zeggen.’ Dan pakt ze haar jas en tas en loopt naar de uitgang. Hans volgt haar naar buiten en stapt naast haar in de auto.
De hele rit naar huis wordt zwijgend doorgebracht. Connie zit blijkbaar diep in gedachten. Hans zelf vraagt zich af hoe het nu verder gaat. Zullen Joke en Connie echt met elkaar spreken? Worden ze nu ineens beste vriendinnen? Of zit de haat inmiddels zo diep dat ze die gewoon vast blijven houden? Hij is nog steeds verbaasd dat er geen woord uitgesproken is zojuist. Hij verwachte een emotionele hereniging, of toch een verhitte scheldpartij. In elk geval niet dit. Hij zal vrouwen nooit begrijpen.
Als ze eindelijk thuis zijn en aan tafel zitten, waagt Hans het te vragen: ‘Ga je Joke spreken?’
– ‘Natuurlijk,’ zegt Connie een beetje verbaasd, alsof het de normaalste zaak van de wereld is.
– ‘En Mark?’ Connie denkt daar even over na.
– ‘Tot nu toe heb ik hem hooguit gemist. Ik heb vooral Joke de schuld gegeven van wat er is gebeurd. Maar vanavond heeft hij bewezen dat hij een eikel is, èn dat hij eigenlijk medelijden verdient. Ik weet niet meer wat ik van hem moet denken. Ik wil toch wel graag weten hoe het nu met hem is. Ja, ik ga hem wel bellen.’ Hans knikt. Dan stelt Connie hem ook een vraag:
– ‘Ga jij Joke nog zien?’ Hij haalt zijn schouders op.
– ‘Ze woont in mijn postroute.’
– ‘Je weet best wat ik bedoel.’ Hij kijkt op.
– ‘We kunnen samen met haar afspreken. Ze is echt best gezellig. Je zult haar aardig vinden.’ Connie spert haar ogen zo wijd open van verbazing dat Hans in de lach schiet. Even trekt Connie een verontwaardigd gezicht, maar dan lacht ze net zo hard met haar man mee.
De leugen regeert
Aan het gepiep van de deur hoort Connie dat Hans thuiskomt. Zonder zijn gebruikelijke ‘Hai schat!’ loopt hij de gang in, hangt zijn jas aan de kapstok en loopt de huiskamer in. Zoals gewoonlijk komt Connie naar hem toe om hem te groeten, maar als ze zijn bedrukte gezicht ziet, stopt ze abrupt. ‘Is er wat?’ vraagt ze haar man. Hij knikt alleen maar. Hij kijkt haar maar even aan en buigt dan zijn hoofd. Zwijgend lopen ze naar de ronde eettafel. Ze gaan ieder op hun vaste plekje zitten. Hans kijkt naar zijn handen, terwijl Connie geduldig probeert te wachten. Ze kijkt naar het schilderij aan de muur naast de eettafel. Het schilderij is gemaakt door haar zus. Ze heeft het hun cadeau gedaan toen ze twaalf en een half jaar getrouwd waren.
Hans schraapt zijn keel. Connie kijkt hem aan. Zijn vreemde gedrag maakt haar zenuwachtig. ‘Je weet,’ begint Hans, ‘dat ik de laatste tijd wel eens op bezoek ga bij een bewoonster in mijn postroute.’ Hij lijkt zijn woorden zorgvuldig te kiezen. Connie fronst. Ze heeft al verschillende keren duidelijk laten merken dat ze niet blij is met zijn bezoekjes aan die vrouw. En telkens heeft hij dat afgedaan met ‘Ach, het heeft niets te betekenen. Heeft dat mens eens een verzetje.’ Zou hij dan toch iets te bekennen hebben over die ‘onschuldige’ bezoekjes? ‘Vandaag kwam ik achter haar echte naam,’ gaat Hans verder. Hij laat even een pauze vallen en zegt dan zachtjes: ‘Joke Bakhuis.’
Connie voelt de adem in haar keel stokken. Ze kan geen woord uitbrengen. Joke Bakhuis! Ze springt op van haar stoel en begint in de keuken te rommelen. Ze ruimt de vaatwasser uit en weer in, schenkt een biertje in voor Hans, zet die zonder iets te zeggen voor zijn neus, en gaat druk met pannen in de weer. Ze voelt de blik van Hans in haar rug. Ze wil hem van alles vragen, maar tegelijkertijd heeft ze het gevoel dat ze de antwoorden niet wil weten.
Het is bijna twintig jaar geleden dat Joke haar leven verwoestte en Connie heeft al lang een prima nieuw leventje opgebouwd. Waarom voelt ze zich toch weer zo woedend als ze haar naam hoort? Nog jarenlang heeft ze zich opgewonden over Joke. Ze heeft haar op internet opgezocht, omdat ze gewoon móest weten hoe ze eruit zag, wie ze was. Maar een paar jaar geleden had ze de hele zaak eindelijk naast zich neer weten te leggen. Toen besloot ze eindelijk het verleden te laten rusten. Waarom kon het verleden haar dan niet met rust laten?
Ze heeft zwijgend het eten gekookt. Nu draait ze de gaspitten uit, giet de aardappels af en zet de pannen op tafel voor Hans, die daar al een half uur onbewogen zit. Ze gaat op haar plek zitten en schept beide borden vol. Hans kijkt haar aan en opent zijn mond om iets te zeggen, maar Connie schudt haar hoofd en Hans doet gauw zijn mond weer dicht. In stilte beginnen ze te eten. Connie laat haar blik weer afdwalen naar het schilderij van hun twaalf en een half jarige huwelijksdag. Ze slaakt een diepe zucht en vraagt Hans: ‘wat wil ze van je?’ Het is nauwelijks een echte vraag. Connie heeft voor zichzelf het antwoord al helder.
Hans kent haar verleden met Joke. Connie had het hem in horten en stoten verteld toen ze pas bij elkaar waren. Toen ze 17 was, was ze helemaal hoteldebotel van haar vriendje Mark. De twee waren al drie jaar samen, wat op die leeftijd een eeuwigheid lijkt. Connie kon haar geluk niet op. Mark was lief en stoer tegelijk. Ze was altijd trots om met hem gezien te worden. Hij kon soms ineens van slag zijn en zich een paar dagen niet laten zien, maar daarna overlaadde hij haar met aandacht en cadeautjes, zodat ze weer helemaal dol op hem was. Op een dag was Mark met gebogen hoofd zwijgend naar haar toe gekomen, net zoals Hans er vandaag uit had gezien. Met tranen in zijn ogen had Mark haar bekend een ander te hebben. Ze had zelfs eerst gelachen, omdat ze dacht dat het een grap moest zijn. Ze kon zich gewoon niet voorstellen dat hij stiekem met een ander was, terwijl hij haar aan het lijntje hield. Maar toen de tranen over Marks wangen liepen, moest ze onder ogen zien dat het echt waar was. Ze was in tranen uitgebarsten en had een paar keer ‘waarom?’ geroepen. Hij had iets gestameld over andere verlangens. Ineens had ze het over een andere boeg gegooid: ‘Waarom vertel je me dit nu?’ ‘Omdat ik nog iets moet vertellen,’ had Mark moeizaam uitgebracht. En dat was het moment dat Connie er achter kwam dat ene Joke een baby verwachtte van háár vriend.
Nu schudt Hans zijn hoofd, kijkt Connie in de ogen en legt zijn hand op haar hand. ‘Het gaat niet om wat zij van mij wil,’ zegt hij scherp. ‘Ik kies er zelf voor om haar op te zoeken. We hebben het gezellig. En toen ik er vandaag achterkwam wie ze is, kon ik niet geloven dat dit dezelfde persoon is als de Joke uit jouw verleden.’
– ‘Waarom niet?’ stamelt Connie. Hans sluit zijn ogen even en schudt weer zijn hoofd.
– ‘Wat is er wèl waar van wat je me verteld hebt?’ Connie kan hem niet volgen.
– ‘Hoe bedoel je?’
– ‘Joke heeft me haar kant van het verhaal verteld. Zij vertelde dat jij Mark van háár hebt afgepakt!’
– ‘Wat?! Hoe durft dat mens!’
– ‘Ik heb haar jouw verhaal verteld. Dat is dus echt de waarheid?’
– ‘Natuurlijk!’ Hans kijkt haar zwijgend aan. ‘Je gelooft me toch wel?’ vraagt Connie, haar ogen tot spleetjes geknepen. Als Hans niet direct antwoord geeft, bijt ze hem toe: ‘Oh natuurlijk, geloof een gestoord mens dat je haar huis in lokt tijdens je werk. En vooral niet je eigen vrouw!’ Met die woorden stormt ze het huis uit. Hans zit nog steeds roerloos aan tafel als hij haar met de auto de oprit af hoort rijden.
Met een diepe zucht staat Hans op van zijn stoel. Hij zet de computer aan. Hoe heette die Mark verder? Verschoor? Vergeer? Verhagen! Hij typt ‘Mark Verhagen’ in de zoekmachine en wacht. Hij heeft nooit eerder aan het verhaal van zijn vrouw getwijfeld. Waarom zou hij ook? Maar nu... Joke leek zo oprecht verbaasd. Hij kon zich echt niet voorstellen dat dat geacteerd was. Er is maar één persoon die echt de waarheid kan onthullen. Mark Verhagen.
Mark blijkt een pagina op Hyves te hebben. Er staat een foto van Mark, spelend op een gitaar. Maar of dit de goede Mark Verhagen is, weet Hans niet. Hij klikt op ‘profiel’. Mark heeft een lange lijst favoriete artiesten. Bij beroep staat ‘gitarist bij U22’. Bij scholen staat het St. Jozef college! De school waar Connie op zat! Hij heeft de goede Mark gevonden!
Hij klikt op een link naar de pagina van de band U22, het blijkt een U2 coverband te zijn. Na even zoeken op de schreeuwerige site vindt Hans een agenda met aankomende optredens. Hij voelt zijn hart een slag overslaan als hij ziet dat de band morgen in Thorn optreedt! Dat is nog geen kwartier hier vandaan. Dit moet de kans zijn om het hele gedoe op te lossen. Morgenavond om 8 uur in het buurthuis van Thorn. Het moet vast wel lukken om Mark te spreken te krijgen. Maar hoe krijgt hij Connie zover om met hem mee te gaan? En Joke... zou hij haar ook op een of andere manier daarheen kunnen krijgen?
Als Connie een uur later nog steeds niet thuis is, begint Hans zich toch een beetje zorgen te maken. Hij heeft haar mobiel al een keer gebeld, maar hoorde die in de hal overgaan. Als ze maar niks doms zal doen. Hij schrikt op als de telefoon gaat. Snel pakt hij de hoorn op. ‘Hans Hoogendoorn.’
– ‘Dag Hans, met An.’ De zus van Connie. ‘Ik wilde je even laten weten dat Connie hier blijft slapen vannacht.’
– ‘Wat? Dit is belachelijk, geef me Connie even alsjeblieft.’ Het is heel even stil, maar dan zegt An weer:
– ‘Ze wil je niet spreken.’
– ‘Oh,’ jammert Hans, ‘ze maakt dit allemaal veel groter dat het is. Er is eigenlijk niks aan de hand, An!’
– ‘Nou, daar denkt Connie anders over,’ zegt An afgemeten. Hans kan het altijd prima vinden met zijn schoonzus, maar hij had natuurlijk niet anders kunnen verwachten dan dat zij aan de kant van haar zus zou staan.
– ‘Luister An. Ik wil het goed maken. Ik wil Connie morgenavond mee uit nemen. Om half 8. Vraag haar alsjeblieft om dan met me mee te gaan. Zeg haar dat het me spijt en dat ik het goed wil maken.’ Hij hoort An alleen zeggen:
– ‘Hij zegt dat...’ daarna legt ze waarschijnlijk haar hand op de hoorn. Het duurt even, maar dan klinkt An’s stem weer. ‘Oké, ze staat morgen om half acht klaar.’ Voor hij iets terug kan zeggen, hangt ze op.
Nou, dan moet het morgenavond dus echt gaan gebeuren. Hans pakt weer de telefoon en belt Joke. Ze is verbaasd als ze zijn stem hoort. Hij heeft haar ook nog nooit eerder gebeld. Ze spreken elkaar altijd alleen bij haar thuis. ‘Ik wil je graag uitnodigen voor een optreden van een U2 coverband,’ zegt Hans. Hij houdt zijn adem in.
– ‘U2? Dat is toch dat Ierse stel? Dat vind ik wel wat. Goh, wat attent van je om aan mij te denken.’ Hans laat zijn adem ontsnappen.
– ‘Ja, ik dacht dat je dat wel leuk zou vinden,’ liegt hij. Wat een geluk! ‘Het is morgenavond om 8 uur in het buurthuis van Thorn.’
– ‘Leuk!’
– ‘Uhm, kun je zelf daarheen komen? Ik moet ’s middags al daar in de buurt zijn, dus ik ga gelijk door.’ Hans is zelf verbaasd hoe makkelijk de leugens komen. Hij denkt zelf altijd dat hij niet goed kan liegen, maar Joke lijkt geen enkele achterdocht te hebben.
– ‘Geen probleem, hoor. Ik weet het wel te vinden. Acht uur, hè? Nou tot morgen dan!’
– ‘Oké, tot morgen!’
***
Nerveus kijkt Hans op zijn horloge. Hij zit tegenover An op een ongemakkelijk stoel.
– ‘Ze komt zo hoor,’ zegt ze geïrriteerd. Hans trekt gauw zijn mouw weer over zijn horloge. Hij knikt naar zijn schoonzus en kijkt dan weer uit het raam. De klok lijkt steeds harder te gaan tikken. Hans hoopt maar dat ze niet te laat komen. Misschien vertrekt Joke weer als hij er niet blijkt te zijn. Maar wat als zijn plan wel goed loopt? Hij heeft eigenlijk nog niet veel verder gedacht dan Connie, Joke en Mark bij elkaar in één ruimte te krijgen. Hij vangt de blik van An op, die kwaad naar zijn voet kijkt, waarmee hij ongemerkt op de vloer heeft zitten tikken. Hij houdt meteen zijn voet stil. Dan klinken er eindelijk voetstappen op de trap. Hans springt op en reikt Connie onderaan de trap zijn hand aan.
– ‘Je ziet er mooi uit,’ probeert hij. Ze loopt langs hem heen en kust haar zus op de wang.
– ‘Bedankt voor alles.’
– ‘Succes,’ antwoordt An met een minachtende blik op Hans.
Connie kijkt hem niet eens aan terwijl ze de deur uit loopt. Hans heeft de autosleutels in zijn handen, maar Connie loopt naar de bestuurderskant en gaat achter het stuur zitten. Ze hebben in de beginjaren van hun relatie regelmatig geruzied over wie er mocht rijden. Connie vond dat ze gewoon om de beurt konden rijden, maar Hans vond het geen gezicht als een vrouw achter het stuur zat en de man er naast. Pas na een paar jaar had Connie toegegeven, en liet ze Hans rijden als ze met z’n tweeën ergens heen gingen. Tot vandaag dan. Hans houdt wijselijk zijn mond en overhandigt Connie de sleutel terwijl hij in de bijrijdersstoel gaat zitten.
Connie houdt meestal wel van een beetje doorrijden, maar er lijken alleen maar treuzelaars op de weg te zitten vanavond. Bij zijn zoveelste vloek zegt Connie geïrriteerd: ‘Ontspan je toch! Dat bandje kan best zonder ons beginnen hoor.’ Hans knikt en probeert minder opvallend hun medeweggebruikers te vervloeken.
Eindelijk rijden ze de straat van het buurthuis in. Ze rijden weer achter een bijzonder trage auto. Hans vraagt zich net af of er soms ook een bingo is vanavond, als hij plotseling de remlichten van de auto in zijn gezicht ziet schijnen. Veel te dichtbij! Connie trapt hard op de rem, maar te laat. Hun auto klapt op de trage auto! Geschrokken kijken Hans en Connie elkaar aan. Ze zijn in orde, ze reden ook zo langzaam. Hans vloekt. Allebei stappen ze uit de auto. Hans loopt om de voorkant heen en loopt achter Connie aan naar het portier van de andere auto. De bestuurder stapt al uit. De tirade die Hans al in zijn hoofd had, blijft op zijn lippen hangen als de bestuurder zich naar hen toe draait.
– ‘Jij!’ roept Connie verbijsterd uit tegen de stomverbaasde Joke.
– ‘Connie!’ roept zij uit, dan schiet haar blik naar Hans. ‘Heb jij haar hier gebracht?’ Connie werpt Hans een vuile blik toe en zegt: ‘Ik ben zijn vrouw!’
– ‘Wat? Ik wist niet dat je getrouwd was!’ Connie geeft Hans een stomp tegen zijn schouder.
– ‘Was je dat vergeten te vertellen tegen je vriendinnetje?’ bijt ze hem toe. ‘Ik ben weg!’ Ze loopt terug naar de auto.
– ‘Nee, wacht!’ roept Hans wanhopig. Hoe had dit ooit een goed plan geleken? ‘Wacht even, alsjeblieft,’ smeekt hij Connie. Hij heeft haar arm gegrepen om te voorkomen dat ze weer in de auto stapt. ‘Luister,’ zegt hij eerst tegen Connie, en dan tegen Joke, die aan de grond lijkt vastgenageld op de plek waar ze uit haar auto is gestapt. ‘De band die hier vanavond optreedt, daar speelt Mark in.’
– ‘Wat? Mark!?’ roepen de twee vrouwen door elkaar.
– ‘Ik wil alleen maar achter de waarheid komen.’ Hans verheft zijn stem om boven hen uit te komen. ‘Jullie spreken elkaar tegen.’
– ‘Dus ik ben hierheen gelokt, omdat jij je wat wijs laat maken door haar?’ vraagt Connie haar man met veel te hoge stem.
– ‘Luister,’ zegt Hans weer. ‘Joke, wat heeft Mark jou aangedaan?’
– ‘Dat weet zij het beste,’ zegt Joke kinderachtig. ‘Hij heeft met haar aangepapt. En toen zij zwanger was, heeft hij mij gedumpt.’ Connie’s ogen lijken bijna uit hun kassen te springen.
– ‘Je draait het verhaal gewoon om! Denk maar niet dat iemand nou ineens medelijden met jou krijgt.’ Daarbij werpt ze nog een kwade blik op Hans.
– ‘Wat? Jíj hebt het verhaal omgedraaid!’ kaatst Joke terug. ‘Blijkbaar ben je niet meer met Mark. En het kind?’ Connie gooit wanhopig haar armen in de lucht.
– ‘Het kind! Dat wil ik wel weten ja. Waar is je kind?’ Ineens buigt Joke haar hoofd.
– ‘Ik kan helaas geen kinderen krijgen,’ zegt ze, nu een stuk zachter. Connie valt stil. Hans verwacht dat ze elk moment kan uitvallen tegen Joke over weer een leugen. Snel valt hij in nu hij de kans krijgt.
– ‘Alsjeblieft, Connie,’ hij durft haar niet met het gebruikelijke ‘schat’ aan te spreken. ‘Laten we naar binnen gaan en Mark spreken. Dan kunnen we dit voor eens en altijd oplossen.’
– ‘Waarom geloof je me niet gewoon?’ vraagt Connie, plotseling heel moedeloos.
– ‘Ik geloof je wel, maar ik geloof Joke ook.’ Hij kijkt even naar Joke, die nog steeds met gebogen hoofd staat. ‘Daarom denk ik dat Mark tegen jullie allebei gelogen heeft.’
***
Hans loopt naar een man die bezig is met de microfoons op het nog lege podium. ‘Pardon, meneer, ik zou graag met Mark Verhagen spreken.’ De man kijkt hem ongeïnteresseerd aan.
– ‘De bandleden komen na het optreden de zaal in.’ Hij draait zich alweer om, maar Hans dringt aan.
– ‘Alstublieft, het is heel dringend. Kunt u hem vragen of we hem even kunnen spreken.’ De man kijkt hem even zwijgend aan. Hans hoeft niet erg zijn best te doen om een wanhopig gezicht op te zetten.
– ‘En wie is “we”?’ vraagt de man. Hans kijkt om naar Connie, die hem nog steeds met een roodaangelopen gezicht staat aan te kijken, en naar Joke, die met haar armen over elkaar bij de deur is blijven staan, alsof ze elk moment kan besluiten te vertrekken.
– ‘Hij kent mij niet, maar wilt u hem zeggen dat Connie Lankhorst hier is.’
– ‘Oké,’ zegt de man alleen maar, en loopt het toneel af. Hans draait zich om naar Connie.
‘Alsof Mark nou aan zal komen rennen,’ merkt Connie op. Maar nog geen minuut later komt Mark naar ze toe lopen.
‘Connie, je bent het echt!’ zegt hij ongelovig. Zijn ogen gaan naar Hans en dan naar Joke. ‘Joke?’ Joke is met haar armen nog steeds over elkaar iets dichterbij gekomen. Ze knikt met een scheef glimlachje als antwoord op zijn vraag. De kleur kruipt vanuit Marks kraag omhoog naar zijn kruin. ‘Jullie allebei hier...?’ weet hij uit te brengen, van de één naar de ander kijkend. Hij staat even te hakkelen voordat het hem eindelijk lukt een zin te vormen. ‘Kennen jullie elkaar?’
– ‘Nu wel, ja,’ antwoordt Connie.
– ‘Daar had jij zeker niet op gerekend?’ valt Hans in.
– ‘Ik? Nou... eh...’ hakkelt Mark. Hij blijft nerveus naar Joke en Connie kijken. De zweetdruppeltjes zijn op zijn voorhoofd te zien.
Als het Hans te lang duurt, zegt hij: ‘Volgens mij heb jij hun allebei hetzelfde verhaal voorgelogen, om zo van allebei af te komen. Je had er alleen niet op gerekend dat ze elkaar zouden spreken.’ Marks gezicht wordt nog iets dieper rood.
– ‘Wie ben jij eigenlijk?’ vraagt hij dan ineens. Hans slaat zijn armen over elkaar.
– ‘Hans, ik ben de man van Connie,’ zegt hij. Dan voegt hij daaraan toe: ‘En de postbode van Joke. Klein wereldje, hè?’ Mark knikt.
– ‘Ehm, misschien moeten we even gaan zitten en praten. Maar ik moet over 5 minuten optreden,’ voegt hij daar snel aan toe.
– ‘Ze kunnen wel even wachten,’ besluit Hans.
Hij wijst naar een tafeltje en Mark gaat daaraan zitten. Hans neemt op de stoel tegenover hem plaats. Hij ziet hoe Connie haar stoel eerst iets dichter naar Hans toeschuift, voordat ze gaat zitten. Joke legt haar armen over elkaar op tafel. ‘Oké, Mark, wat is de waarheid?’
Mark slikt zichtbaar en kijkt even naar de drie gezichten die hem aankijken. Hij zucht diep en zegt dan:
– ‘Goed, ik wist dat ik de waarheid een keer zou moeten vertellen. Het is wel tijd, denk ik.’ Connie rolt met haar ogen, maar houdt haar mond. Ze is toch wel benieuwd wat hij te zeggen heeft. ‘Goed,’ zegt Mark weer. ‘Wij waren al een paar jaar samen,’ richt hij zich tot Connie, ‘toen ik Joke leerde kennen. We waren gewoon vrienden, maar het leek me verstandig om het niet tegen jou te zeggen. En ik vertelde Joke ook niet over jou.’ Joke schudde haar hoofd.
– ‘Was je toen al een paar jaar met Connie!? Dan had je toch niks met mij te zoeken?’ Mark haalt verontschuldigend zijn schouders op.
– ‘Ik vond jou ook leuk,’ zegt hij eenvoudig. Hans moet een lach onderdrukken. Zij zijn nooit een jongen van zestien geweest, ze moesten eens weten! Tegen Connie vervolgt Mark: ‘Al gauw bleek Joke wel geïnteresseerd te zijn. Ik voelde me gevleid. Het kwam in me op dat jullie elkaar nooit zouden spreken. Voor zover ik wist hadden jullie ook geen gemeenschappelijke vrienden. Het leek me toen een perfecte oplossing.’ Hij kijkt even naar de verontwaardigde gezichten van beide vrouwen. ‘Nu zie ik natuurlijk ook wel wat een eikel ik was, maar ja, ik was zestien! Ik was nog niet wijzer.’
– ‘Hoe lang heb je dat volgehouden?’ vraagt Connie.
– ‘Een paar maanden maar. Toen raakte ik nogal in de knoop.’
– ‘Hoe bedoel je, in de knoop?’ vraagt Joke.
– ‘Ach, ik had wat problemen,’ antwoordt Mark vaag. ‘Ik merkte dat ik er een behoorlijk zooitje van had gemaakt met jullie. En andere dingen liepen ook niet zoals ik wilde. Ik zag er geen gat meer in. En omdat ik toch om jullie beiden gaf, wilde ik jullie dat verdriet niet aandoen. Het leek me beter als jullie me zouden haten, voordat...’
– ‘Oh!’ schrikt Connie. Hans kijkt haar aan. Hij begrijpt niet helemaal waar Mark heen wil, en aan Joke’s gezicht te zien, snapt zij er ook niet veel van. ‘Je wilde...?’ zegt Connie zacht, terwijl ze een hand op Marks arm legt. Hans trekt zijn wenkbrauwen op. Ze had twee minuten geleden nog een hekel aan deze man, en nu kijkt ze hem met tranen in haar ogen aan! Mark knikt naar Connie.
– ‘Ik wilde er een eind aan maken,’ zegt hij zachtjes.
Nu is het de beurt aan Hans en Joke om ‘Oh!’ te zeggen. Joke weet duidelijk niet welke vraag ze eerst moet stellen. Ze opent een paar keer haar mond en sluit die dan weer. Uiteindelijk vraagt ze: ‘Wat heeft je daarvan gered?’
– ‘Ik had een afscheidsbrief geschreven. Die vond mijn broer op tijd.’
– ‘Gelukkig,’ zegt Joke. Mark kijkt haar dankbaar aan.
– ‘Het spijt me echt dat ik jullie verdriet heb gedaan. Je snapt wel dat ik jullie daarna nooit meer heb durven opzoeken. Dan zou ik de hele waarheid op moeten biechten.’
– ‘Dat heb je nu alsnog gedaan.’
– ‘Ja.’ Er verschijnt een waterig glimlachje op zijn gezicht. ‘Het lucht eigenlijk wel op. Ik hoop dat jullie me ooit kunnen vergeven.’ Op dat moment komt de man van het geluid naar hun tafeltje toe.
– ‘Mark, soundchecken,’ zegt hij kortaf. Mark staat op en haalt twee visitekaartjes uit zijn zak.
– ‘Sorry, maar ik moet gaan. Blijf alsjeblieft kijken als jullie willen. En hou contact.’ Hij legt een visitekaartje voor Joke op tafel, en één voor Connie en loopt naar het podium.
Zwijgzaam zitten Connie en Joke elkaar aan te kijken. Hans zit ongemakkelijk van de één naar de ander te kijken. Hij heeft het gevoel dat hij zijn mond moet houden, maar het ziet er ook niet naar uit dan één van de dames iets gaat zeggen.
Ineens staat Connie op. ‘Ik wil naar huis,’ zegt ze tegen Hans. Hans kijkt haar verbaasd aan.
– ‘Wil je niet...’ begint hij met een handgebaar naar Joke.
– ‘Jawel,’ zegt Connie meteen. Tegen Joke voegt ze daaraan toe: ‘Maar ik wil eerst mijn gedachten op een rijtje zetten.’ Joke knikt begripvol. Zij staat ook op en zegt:
– ‘Dat lijkt mij ook een heel goed idee. We spreken elkaar later. Jullie weten me te vinden.’ Ze draait zich om en loopt de zaal uit. Hans kijkt haar met open mond na, en draait zich dan naar Connie. Ze kijkt even in zijn verbaasde gezicht en zegt:
– ‘We kunnen beter even nadenken voor we wat zeggen.’ Dan pakt ze haar jas en tas en loopt naar de uitgang. Hans volgt haar naar buiten en stapt naast haar in de auto.
De hele rit naar huis wordt zwijgend doorgebracht. Connie zit blijkbaar diep in gedachten. Hans zelf vraagt zich af hoe het nu verder gaat. Zullen Joke en Connie echt met elkaar spreken? Worden ze nu ineens beste vriendinnen? Of zit de haat inmiddels zo diep dat ze die gewoon vast blijven houden? Hij is nog steeds verbaasd dat er geen woord uitgesproken is zojuist. Hij verwachte een emotionele hereniging, of toch een verhitte scheldpartij. In elk geval niet dit. Hij zal vrouwen nooit begrijpen.
Als ze eindelijk thuis zijn en aan tafel zitten, waagt Hans het te vragen: ‘Ga je Joke spreken?’
– ‘Natuurlijk,’ zegt Connie een beetje verbaasd, alsof het de normaalste zaak van de wereld is.
– ‘En Mark?’ Connie denkt daar even over na.
– ‘Tot nu toe heb ik hem hooguit gemist. Ik heb vooral Joke de schuld gegeven van wat er is gebeurd. Maar vanavond heeft hij bewezen dat hij een eikel is, èn dat hij eigenlijk medelijden verdient. Ik weet niet meer wat ik van hem moet denken. Ik wil toch wel graag weten hoe het nu met hem is. Ja, ik ga hem wel bellen.’ Hans knikt. Dan stelt Connie hem ook een vraag:
– ‘Ga jij Joke nog zien?’ Hij haalt zijn schouders op.
– ‘Ze woont in mijn postroute.’
– ‘Je weet best wat ik bedoel.’ Hij kijkt op.
– ‘We kunnen samen met haar afspreken. Ze is echt best gezellig. Je zult haar aardig vinden.’ Connie spert haar ogen zo wijd open van verbazing dat Hans in de lach schiet. Even trekt Connie een verontwaardigd gezicht, maar dan lacht ze net zo hard met haar man mee.
dinsdag 26 januari 2010
Gerard Damen
Korte Verhalen I (Het Koorenhuis, oktober 2009-januari 2010)
Op zwerftocht
Stefan K. besluit te gaan liften, maar weet eigenlijk niet waarheen. Hij wil weg uit de warme en benauwde provinciestad en de zee lijkt hem wel wat, het is er altijd koeler en de nachten zijn er warmer (zo vertelde hij later de politie)... Hij had eerder een vriend ‘Peter’ gevraagd mee te gaan, maar die zag niet veel in het avontuur, maar Stefan vermoedt dat hij in feite net een slag geslagen heeft, en er even warm bij zit. Het gaat Stefan niet om een andere stad, hij wil weg uit de provincie. Hij begint er zo langzamerhand te bekend te worden, en vroeg of laat zullen ze bepaalde zaken met hem in verband gaan brengen. Het slapen in het Wilhelminapark begint op te vallen.
‘Waar kan ik je afzetten, waar moet je zijn’, vraagt chauffeur als ze de Hoornbrug over gaan en die vraag overvalt hem. Hij herstelt zich snel: ‘In het centrum, maar zet me maar af bij een tram of bus in die richting, als je daar niet komt. De chauffeur noemt de Rijswijkseweg als mogelijkheid om uit te stappen...
Later op de avond komt Stefan aan bij het Centraal Station. Hij heeft al snel in de gaten waar iedereen rondhangt. Blijkbaar is er kort geleden ook iets te eten uitgepakt of uitgedeeld, overal ligt rommel en papier. Het ziet er niet florissant uit, vooral junks of zwervers met Albert Heijntassen vol hangend aan het stuur of naast een fiets op de grond. Er wordt weinig tot niets gezegd. Hij besluit na enige tijd om iemand aan te spreken, en richt zich quasi-ongeïnteresseerd tot een wat jonger iemand die er nog redelijk uitziet en niet helemaal stoned is of in apathie is weggezonken. ‘Heb ik wat gemist’, zegt hij wijzend op de troep op de grond. ‘Ik heb eigenlijk best honger’.
De jongeman kijkt hem van enkele meters afstand wezenloos aan en zegt: ‘Ze komen hier ’s avonds soep met broodjes brengen, de soepbus, ze zijn net weg’. ‘Oh, dat is jammer’, zegt Stefan. De jongen zwijgt en hangt lusteloos tegen het hek van perron 1 buiten onder het Prins Bernhardviaduct. Dit schiet niet op, denkt Stefan. ‘Weet jij waar ik vannacht misschien kan slapen en wat kan eten’, vraagt hij. ‘Ik kom van buiten de stad’. De jongen kijkt op en peilt Stefan zo’n beetje, maar nog steeds zonder veel interesse. ‘Ik slaap wel eens in het centrum in een kraakpand, als ze me tenminste binnenlaten, je kan daar geen peil op trekken bij die krakers’. Stefan ziet een aanknopingspunt en zegt nu ontspannen: ‘Kunnen we daar niet effe gaan kijken, of straks, ik kom uit de krakerscène, ik weet wel hoe je die gasten moet inpakken met dat geouwehoer over politiek en zo’. De jongen zwijgt eerst en zegt dan: ‘Zou kunnen. Heb je geld om nog ergens iets uit de muur te trekken, het was weer mager vanavond’. ‘Ik heb nog wel een tientje en wat klein geld’, reageert Stefan. ‘Misschien kunnen we onderweg naar dat kraakpand nog iets uit de muur trekken. Jij weet hier vast wel waar je moet zijn.’ ‘Nou’, zegt Mark, het gemakkelijkste is hier het Station zelf, ze hebben er een “patatje oorlog” bij zo’n kraam.’ ‘O.K.’, zegt Stefan, ‘ik heb ook trek, dat doen we dat eerst’. Hij stelt zich voor: ‘Ik ben Stefan’. ‘Mark’, zegt de ander vlak.
In de hal van het Centraal station zijn maar weinig mensen. Het is een en al chaos en verbouwing die er gaande is, om de trams boven en treinsporen te verleggen. Stefan wijst op de Burger King. ‘We kunnen ook een Big Mac halen’, zegt hij. ‘Nee joh’, antwoordt Mark, ‘dat is troep, zo’n vette hap wil ik niet’. Bij de kraam staat verder niemand en Stefan bestelt. Een zwerver die om een halve euro vraagt wordt door beiden vernietigend weggekeken.
Ze eten zwijgend en na afloop lijkt Mark te aarzelen. ‘Wat is er joh?’ vraagt Stefan, ‘kom op, jij hebt je patatje, ik wil naar dat kraakpand’. Mark komt eindelijk in beweging. ‘O.K.’, zegt hij. ‘Laten we maar gaan kijken, het is verderop in de stad, de Stille Veerkade en dan een zijstraat ergens links. Ik weet niet of ze ons nemen. Ze hebben al eens gezegd dat het geen hotel is of een opvang voor daklozen’. Stefan zwijgt en begint te lopen. Onderweg wordt er nauwelijks een woord gewisseld. Bij het kraakpand aangekomen zegt Mark: ‘Bel jij aan, jou kennen ze nog niet, hang maar een zielig verhaal op over dat je van buiten de stad komt en dat het maar voor een nacht is en zo’.
Stefan belt aan. Er is wel ergens licht in het huis met drie etages, maar beneden is het donker. Eerst gebeurt er niets, maar na nog een keer bellen, gaat het licht op de trap aan en komt er iemand naar beneden stommelen. Het gaat niet al te snel, maar tenslotte gaat de deur open. Mark heeft zich wat terzijde van de deur opgesteld, met een capuchon over zijn hoofd en kijkt toe. ‘Shit’, denkt hij, dat is die gozer van de vorige keer, die maffe Hanekam, dit wordt lastig. Die zag hem toen ook al niet zitten. Stefan voelt zich wat onzeker, en begint joviaal: ‘Goeieavond, joh, wat een mooi pand hebben jullie hier, zo midden in de stad! Volgens Mark is het een kraakpand, nou en ik ben ook kraker, ik kom van buiten de stad. Zouden we niet een nachtje hier kunnen slapen...?’
De Hanekam kijkt wat verstoord van de en naar de ander. Mark hoopt maar dat hij niet herkend wordt van een vorige keer. ‘Ja, daar zijn wij niet voor’, zegt hij aarzelend. ‘We hebben alleen af en toe krakers die overnachten, als we een actie of een kraak opzetten. Den Haag heeft opvang genoeg voor daklozen’. Stefan voelt zich kwaad worden, maar laat niets merken: ‘Ja, maar ik ben zelf ook een actieve kraker uit Utrecht en hier in de stad ga ik zeker actief mee doen’. ‘Ik weet van niets’, zegt de Hanekam vlak, ‘en... eh... eigenlijk ga ik er ook niet over, ik ga het boven wel even overleggen’. Terwijl hij de deur wil sluiten, springt in de gang de tijdschakelaar met een ‘knap’ om, en opeens is het pikkedonker. ‘We wachten wel even in de gang, Het wordt al koud als je een tijd buiten staat’, zegt Stefan en heeft tegelijk zijn voet al tegen de deur gezet. De Hanekam is wat verbouwereerd en aarzelt. Mark zegt – nu pal achter Stefan: ‘Ik ben hier al een keer eerder geweest, ze kennen me, niets aan de hand joh, ik kom zelf uit Den Haag. We wachten effe binnen’.
Mark en Stefan staan binnen. De Hanekam wijkt terug, drukt het licht weer aan, en voelt zich zichtbaar overdonderd. ‘Nou ja, wacht dan maar even hier. Ik wil niemand beledigen, maar we hebben regelmatig lui hier aan de deur laat op de avond, soms stom dronken’. Hij kijkt zonder doel rond in de leeg hal en naar de achter in opgestapelde lege kratten en stapels oude kranten. Het is er rommelig, vuil en slecht onderhouden. Stefan probeert hem gerust te stellen: ‘We zijn al de hele avond buiten. En dan krijg je het na een tijd toch koud. We wachten hier op je’. De Hanekam lijkt het nog niet helemaal te vertrouwen, maar loopt langzaam naar de trap en gaat naar boven. ‘Zo’ zegt Stefan, zodra de Hanekam buiten gehoorafstand is: ‘Mij krijgen ze vannacht niet meer op straat’. Mark zwijgt. Hij voelt zich wat ongemakkelijk. Hij wil hier nog vaker kunnen komen. Dat ze hem als een dakloze zien, maakt hem niets uit. Zijn ouders hebben hem weer eens op straat gezet na het zoveelste conflict over geld, werken, en hoe het allemaal wel niet hoort volgens die zeikerds...
De hanenkam blijft enige tijd weg. Hij komt terug met een iets oudere wat dikkige vrouw gehuld in weinig flatteuze kleding. ‘Daar zullen we de moeder-overste van de krakers hebben’, peinst Stefan, maar hij stelt zichzelf en Mark keurig voor. ‘Ik ben Dora’, zegt de vrouw en dit is Roald en ze wijst vaag naar de Hanekam. ‘Hij heeft al gezegd dat we niet aan opvang doen, waar komen jullie eigenlijk vandaan, voor een nacht kan het wel’ zegt ze vlak. ‘We hebben geen plan voor een grote kraak deze week, dus je kan ook niet veel doen’. ‘Loop maar mee naar boven, we hebben daar nog een zijkamer leeg met wat matrassen en zo’.
‘Ah, mooi’, zegt Stefan, ‘maar we zouden best een kraak kunnen doen, jullie kennen vast wel een paar leegstaande panden, dan hebben we ook gelijk zelf onderdak’. De vrouw reageert niet meteen en monstert het tweetal. ‘Jullie hebben niet de politie achter je aan, hé, of zo, dat kunnen we hier niet hebben?’, zegt ze vervolgens. Markt valt in en legt uit dat hij uit Den Haag zelf komt en thuis even wat problemen heeft, en probeert haar gerust te stellen. Hij vindt die Stefan wel handig om het voortouw te laten nemen.
‘En waarom vinden jullie kraken een goede zaak, behalve dat je nu zelf even een dak boven je hoofd nodig hebt’, vraagt Roald onverwacht. Hij is duidelijk politiek gedreven en lijkt minder praktisch ingesteld dan de vrouw. Stefan ruikt zijn kans. ‘Nou, het is toch duidelijk dat iedereen het recht heeft op een behoorlijk dak boven zijn hoofd, ook als je geen geld hebt of een knappe kop, of een pa met een vette bankrekening. Dat zou een mensenrecht moeten zijn, weet je wel “goed wonen”, vrijheid van meningsuiting, dat soort dingen. Dat geeft de mensen zelfrespect.’
De Hanekam monstert hem even en lijkt niet erg onder de indruk. ‘Vrijheid van meningsuiting heeft er niets mee te maken’, stelt hij. ‘Daar heb je geen geld voor nodig’. ‘Natuurlijk wel’, reageert Stefan. ‘De media bepalen tegenwoordig wat mensen nog weten en wat ze denken. En wie heeft tegenwoordig alle media in handen? Nou dan. De rijken hebben altijd de mond vol over rechten als het ze goed uitkomt, meer snelwegen, overal maar kunnen bouwen, en natuurlijk minder regels voor ondernemers. Maar als het er om gaat dat we die rechten of de welvaart eerlijk moeten delen, nou, dan geven ze niet thuis. Dan moet je er opeens zelf voor gewerkt hebben. Wat een gelul. Zelf proberen ze vooral met speculeren rijk te worden. Het is een hypocriete bende, die lui’.
Mark doet alsof hij er niets mee te maken heeft. De Hanekam zwijgt en de discussie valt stil. Op de eerste etage aangekomen wijst de vrouw hun de zijkamer. ‘We hebben nog wel een pilsje voor hen toch?’ vraagt ze aan de Hanekam, ‘maar hou het verder rustig’.
Mark en Stefan laten zich vallen op de oude matrassen in de kamer. ‘Pfffoe’, zucht Stefan. ‘Dat is in ieder geval een nachtje onder de pannen. Morgen moeten we weer verder. We moeten iets bedenken joh, om aan geld te komen, voor eten en als het echt nodig is voor onderdak in een nachtopvang of zo. Hoe werkt dat hier in Den Haag, weet jij dat niet?’
‘Geen idee’, zegt Mark. ‘Ik betaal niet voor mijn onderdak. Ik kan desnoods nog wel bij een paar vrienden slapen verderop in de stad. Als het echt niet lukt probeer ik gewoon via de buren bij mijn ouders binnen te komen. Maak je niet zo druk’. ‘Maar hoe kom jij dan aan je geld om elke dag wat te eten? Zonder onderdak krijg je tegenwoordig ook al geen uitkering meer, die fooi voor de armen’.
Mark leunt tegen de muur en wacht op het beloofde pilsje. ‘Je moet zo weinig mogelijk risico nemen om aan geld te komen’, zegt hij. ‘Ik heb wel eens een vrouwtje bij de pinautomaat wat geld afgepakt, je weet wel, ik stond er ook rustig te wachten, en dan het geld snel uit d’r handen trekken als ze het sloom in d’r portemonnee probeert te stoppen. En dan wegwezen. Kraait geen haan naar in dit land’. ‘Nou, en wat heb je dan, twee briefjes van twintig zeker?’ reageert Stefan wat smalend. ‘We moeten iemand vinden die veel cash op zak heeft. Nee joh, ik heb daar nog eens over nagedacht. Je hebt hier toch een grote markt met veel kooplui? Daar moeten we eens gaan kijken’. ‘Wat verhandelen ze dan op de markt waar veel geld in zit? Je moet het niet hebben van de man met groente en fruit, of van die tweede hands kleding die ze daar als nieuw aanbieden. Dat schiet niet op’, reageert Mark. Stefan denkt er zichtbaar wat geërgerd over na. ‘We onderschatten die lui. Er zit veel meer geld onder dan je denkt, in witgoed, audio, video, computers, Perzische tapijten en zo. Handelaren, desnoods Turken die hun drugsgeld op de markt witwassen, daar zit heel veel cash geld. Ze gaan niet eens naar de politie als ze het kwijt zijn. Laten we er eens naar toe gaan en bijvoorbeeld een paar aankopen doen die we daarna weer intrekken. Om te zien wat voor portemonnee ze trekken...!’ Stefan raakte steeds meer in zijn element.
Op de markt aangekomen schrikt Stefan van de drukte. Tussen de lange rijen kramen drommen mensen samen van allerlei etnische afkomst. Maar het zijn toch vooral donkere tinten wat hij ziet. Het gaat traag, heel traag vooruit in de massa, het is file-lopen. Stefan moet terugschakelen: ‘Wat een tempo zeg, gaat dat altijd hier zo traag, zo heb je de hele middag nodig om de markt over te komen, je kunt wel zien dat het volk hier alle tijd heeft’, moppert hij. ‘Maak je niet druk joh’, reageert Mark, ‘wij hebben ook alle tijd, hoe denk jij nou iemand te vinden als je niet de tijd neemt en goed rondkijkt?’ Hij zwijgt.
De kooplui van Haagse snit prijzen hier en daar luidruchtig hun waren aan in onvervalst plat Haags. Maar het zijn er niet heel veel meer, de originele Hagenezen. Onder de buitenlanders wordt nauwelijks geschreeuwd om iets aan te prijzen.
De rijen kramen aan beide zijden strekken zich onafzienbaar voor hen uit. Er heerst kabaal, dat soms wegzakt tot normale stemmen op afstand of in de achtergrond van de volle en ondoorzichtige kramen. Het lijkt soms kramen achtereen veel van hetzelfde: rekken en tafels vol kleding gepresenteerd voor spotprijzen, parafernalia waarbij je niet weet wat je er mee zou moeten, groenten en fruit, vooral die kramen gaan maar door. Halverwege ergens een slagerij in een te clean stenen gebouw waar je echt geen broodje Shoarma zou willen kopen. Stefan zucht diep: ‘Hoe halen we hier in godsnaam een “vette” koopman uit’, zegt hij. ‘Dat zal nog niet meevallen’. Menige koopman van de wat betere zaken, staat helemaal achterin en daar soms ook nog achter iets van een toonbank. Zijn of haar jonge helpers zwermen voor hem uit en proberen voorin de klanten te lijmen.
‘Wat zijn hier de dure kramen, eigenlijk, we moeten een beetje gericht zoeken’ zegt hij tegen Mark. Mark haal zijn schouders op: ‘Weet ik dat, misschien hier aan het begin, daar is een juwelier, verder zou ik het niet weten’.
Aan de rij lijkt geen einde te komen. Op sommige plekken kun je dwars doorsteken, en kom je in een volgende onafzienbare rij met kramen. Op een van de hoeken zijn stapels zakken aardappels opgestapeld, maar er worden ook bakken vol met losse verkocht. Het is groot Istanboel aan de oude Herman Costerstraat, maar ook India, Uttar Pradesh en China zijn er vertegenwoordigd. Op een andere hoek koopt Stefan voor een euro een paar ons kastanjes die later blijken al half verrot te zijn. ‘Wat een oplichters zijn het die Hagenezen’, zou hij later woedend tegen Mark spuwen. Mark vond die reactie toen al overdreven.
Aan kastanjes had Stefan goede herinneringen van vroeger, hij kocht ze met zijn vader op de markt in Bunnik, ze rustig met een mesje open peuteren en opeten, en tegelijk luisteren naar de zelfopgenomen muziek op zijn cassetterecorder. ‘To my fathers house’ bijvoorbeeld, van de Les Humpry singers kreeg er mythische proporties. Zijn broers vonden het ouwelullenmuziek. Tegenwoordig is hij meer van de metal, of techno.
Mark slentert achter Stefan aan. Hij kent de markt wel van toen hij nog bij zijn ouders woonde aan het betere deel van de Hoefkade. Het is er voor hem altijd vol, zwart en lawaaiig geweest. Hij weet niet beter. Maar met een paar maffe vriendjes uit de straat wel gezellig. Op zoek naar, ja op zoek naar wat eigenlijk? Mobieltjes, kleding soms, maar eigenlijk was het vooral om wat te doen te hebben en om achter de jonge wat sletterige meiden in te strakke kleren aan te lopen, en dan proberen om – via elkaar – met ze in contact te komen: ‘Moet je die daar in die strakke jeans zien, die ene knalt er bijna uit, kunnen we ergens mee helpen, meiden?’ Niet dat het veel opleverde, het bleef meer bij uitdagen en provoceren van de typjes die reageerden op de groep.
Zijn ouders vonden het al lang niets meer, de markt, en zagen hem er liever niet heen gaan. Veel verkeerd volk, allemaal te lui om te werken. vonden ze. Maar ja, Mark liet en laat zich weinig vertellen. Altijd dat gezeik van die ouwelui. Laatste keer had hij echt bonje met die ouwe, die had gezegd: ‘Waar was je nou gisteravond laat, weer eens om vier uur thuis komen, terwijl je zakgeld zoals altijd al lang op is. Ga verdomme eens je best doen op school voor je er af getrapt wordt!’
Mark had niet gereageerd. Discussie liepen toch alleen maar uit de hand. Zijn vader was buschauffeur bij de HTM en ‘mijn god’ wat een wereld moest dat zijn: die onbeschofte jongelui ’s avonds laat in je bus, wat je naar je hoofd kreeg geslingerd, hele en halve dreigementen, werken in het weekend, de wisselende werktijden...
‘Hou er dan mee op man’, had Mark al vaker tegen hem gezegd, maar zijn vader kon niets anders. Niets geleerd en twee linkerhanden, dan kon je altijd nog bij de HTM komen. En dan de drank die zijn vader nam, ook voor het begin van een late dienst, en die hij wegmoffelde met een of andere mondspray. De hypocriet, een gevaar op de weg was het met al die mensen in de bus. En dan hem, Mark, maar bekritiseren. Het was op zich wel gemakkelijk thuis wonen, je natje en je droogje op tijd, maar voor de rest was het oeverloos gezeik, of wegwezen of leren afzien. Hij had er al langer geen zin meer in, was weggelopen, en had de koptelefoon opgezet met het volume hoog. Zijn vader was kwaad geworden en Mark had hem goed in de gaten gehouden om op tijd weg te wezen. Hij kon soms losse handjes hebben, die ouwe gek. Het was begin zomer en Mark gezegd: ‘Ik heb het helemaal gehad hier, ik zoek het zelf wel uit’. En dan moet je dat ook waarmaken, in ieder geval een tijdje tot ze weer ongerust worden. Sindsdien was hij dakloos, maar ach, het was zomer geweest. Nu werd het lastiger.
Stefan ziet het niet meer zitten op de overvolle markt. ‘Ja, zo’n juwelier, nee dat is mij te tricky, denk je dat die geen camera’s en beveiliging hebben? En volgens mij staat “de kit” daar ook gewoon te posten’. ‘Dat heb ik ook wel gezien’, reageert Mark, ‘het was jou idee om naar de markt te gaan. ik zoek het hier niet direct, met al die mensen’.
Stefan raakt geagiteerd: ‘Jij komt alleen met die pinautomaat aanzetten, alsof dat opschiet. Wat heb je eigenlijk zelf aan klappertjes gemaakt?’ Marc voelt zich wat in het nauw gedrongen. Hij is niet zo’n grote crimineel, en wil zich ook niet laten uitdagen. ‘Meer dan genoeg om iedere week aan mijn geld te komen, zonder te werken en ik heb geen uitkering nodig’.
‘Ja, ja, wat zakkenrollen zeker en een paar oudjes bij de pinautomaat’, snuift Stefan. Ik heb in Utrecht met een paar jongens echt een paar forse kraken gezet, eentje ’s nachts bij een dure kledingzaak en een bij een juwelier. Allebei gewoon gelukt. Dezelfde dag eerst goed kijken hoe alles in elkaar zit en wat je wil ophalen. ’s Nachts even de goeie ramen ingooien, als het kan aan de achter- of zijkant van het pand, alleen pakken wat je hebt afgesproken, snel wegwezen en direct rustig uit elkaar gaan. Daar kan geen alarm of politie tegenop. Alles op bestelling geleverd, dan krijg je er nog wat voor. Ik leef er al zo’n beetje de hele zomer van’.
Mark zwijgt. Hij vindt Stefan maar een opschepper, maar misschien heeft hij toch wel meer ervaring. Hij heeft iets te veel lopen sappelen met winkeldiefstalletjes, een pinautomaat, wat ‘klein geld’ en de broodjes onder het PB-viaduct de afgelopen zomer. Hij heeft niets meer van zijn ouders gehoord, en wil niet met hangende pootjes terug naar huis.
‘Ja ja’, zegt hij. ‘Nou, dan ben je een hele jongen, zeg jij dan maar hoe we het hier op de markt gaan aanpakken. Ik zie hier nog weinig cash. Misschien aan het einde van de dag als ze gaan opbreken, dat je aan de kramen kunt zien wie een goeie dag had. Het is nu nog te vroeg’. Stefan realiseert zich dat Mark een punt heeft. Hij wil er ook wel even tussen uit. ‘Dat is wel waar’, bromt hij, ‘weet je wat, we gaan eerst even een van die cafés in hier, aan het begin van de markt, een pilsje drinken, even goed opletten daar, misschien zitten de echte jongens met geld er al lekker te zuipen. Die staan zelf niet de hele dag in zo’n tent!’ Mark voelt er wel voor. Hij wordt apathisch en ellendig van zo’n markt. Het is pas halverwege de middag. Dan zijn we daarna wel ‘blut’ denkt hij nog, maar ach. En het kan inderdaad wat opleveren.
Ze lopen terug naar het begin van de markt en gaan het eerste – op het oog drukke – café binnen. Het is er erg rokerig en warm en op een paar plaatsen aan de bar wordt in groepjes druk gepraat. Sommigen zijn al aardig in de olie. Iedereen kent iedereen zo lijkt het, Stefan bestelt twee pilsjes met een ‘kopstoot’ en de barman bekijkt het tweetal met enige nieuwsgierigheid. Mark realiseert zich dat hij daar even niet aan gedacht had, het zou kunnen dat ze hem en Stefan later herkennen uit het café. Hij stoot Stefan aan. ‘We moeten hier niet opvallen, joh, dit is inteelt hier’, zegt hij. Ze lopen naar een tafeltje bij het raam en kijken naar buiten. Enige tijd gebeurt er weinig. Het nazomerzonnetje is eindelijk aan het wegzakken boven de huizen.
De gesprekken gaan door en worden langzaamaan ook verhitter. ‘Het zijn zakkenvullers, die van de gemeente Den Haag, heb je gehoord wat ze met de “staanplekken” gaan doen en met de prijzen als die slagerij weg is?’ hoort hij boven het tumult uit. ‘En het uitbreiden van de parkeergarage hier zodat er meer Hollanders komen. Ik ben helemaal voor die integratie van jullie... maar niks.’ Het antwoord gaat verloren in hilariteit.
Stefan is opeens gespitst. ‘Dat kan jij makkelijk hebben met je visjes hier, Ali, dat is toch een regelrechte goudmijn, zonder dat je wat doet’, roept iemand de eerste spreker toe. ‘Er loopt geen tent beter dan die van jou, man, en dat met die achterlijke visprijzen. Biefstuk is goedkoper tegenwoordig’.
Stefan probeert de toegesproken persoon onopvallend beter in het vizier te krijgen. Het is nogal joviale dikke man, met rood hoofd en wat glazige ogen, zo achter in de vijftig. Een Turk zo te zien. ‘Wat doet een Turk in de vishandel’, vraagt hij zich af. Ze nemen ook alles over, die buitenlanders. Hij wenkt Mark met zijn ogen het gezelschap mee te volgen. De Turk bestelt nog een rondje en kijkt wat half in het rond wie hij nog iets zal aanbieden. Mark en Stefan vallen buiten zijn benevelde blik. ‘Ja maar ik heb er ook – hoe noemen jullie dat – de wind onder bij die Marokkaanse jongetjes in mijn zaak. Dat is wel wat anders dan bij jou, Hollanders zijn toch gewoon lui, wat verkoop jij nou op een dag met je zielige appels en peren? Jouw mensen zijn te lui om uit hun ogen te kijken’. ‘Hè hè’, protesteert de ander, ‘zo kan het wel weer, de regering zegt tegenwoordig zelfs dat je vis moet eten, jij hebt gewoon mazzel met je kabeljauw en sprotjes’. Het blijft gezellig.
‘Ga jij nog een paar biertjes halen?’, zegt Stefan tegen Mark. ‘En probeer aan de bar met hem aan te pappen. Zeg maar dat je hoorde over die vis van hem en dat je wel trek hebt, dan gaat ie zo praten over die zaak van hem’. Mark aarzelt. Hij is niet zo’n populair type. Ergens komt de man hem wel bekend voor. ‘Dat is niet nodig joh, het loopt tegen half vijf. Hij gaat zo zelf terug naar die tent van hem om af te sluiten. Misschien neemt hij dan de kas mee. Dan volgen we hem’.
‘Dat is wel zo’, zegt Stefan. ‘Hij gaat zo terug naar die kraam van hem. Misschien is het slimmer als een van ons alvast op zoek gaat naar die tent. Dan weten we hoe het daar aan toe gaat met het geld, en vallen we hier minder op’. Mark voelt dat hij vooruit wordt gestuurd en dat Stefan het initiatief neemt. Dat bevalt hem niet. ‘Jij hebt nog wat geld joh, als jij nou wat visjes gaat kopen bij die kraam, dan wacht ik die Turk hier buiten op. Ik kijk gewoon wat rond bij de kramen hier vlakbij. Je hebt gelijk: als we hem met zijn tweeën volgen ’t café uit, dan zal dat opvallen’. Stefan bromt wat. Hij was liever bij de Turk gebleven. Een vette vis zo op het oog. ‘Hebben we daarstraks zijn viskraam gezien?’ vraagt hij nog, maar hij herinnert zich de plek weer. De enige echt grote tent met veel personeel. ‘Oké’. Dan zegt hij nog wat aarzelend: ‘Zorg dat je hem niet uit het oog verliest, er is hier maar één uitgang de markt op’.
Ze gaan naar buiten. Mark blijft onopvallend hangen bij een van de kramen vlakbij, Stefan loopt rustig door. Mark bekijkt met een half oog de gsm’etjes die in een van de tenten liggen en houdt schuin een half oog op de deur van het café. Hij is er niet helemaal gerust op. Die Stefan was nogal impulsief bij dat kraakpand. En dan dat gedram over hoe je aan geld kunt komen. Mark heeft zelf dringend enig geld nodig, maar hij wil geen geweld gebruiken als het even kan. Dat kan gemakkelijk uit de hand lopen en dan heb je de politie echt op je dak. Een gladde beroving, zonder echte handtastelijkheden en zonder dat het iemand opvalt is veel slimmer. Die aangiften gaan bij de ‘wouten’ zo op de grote stapel.
Opeens ziet hij de Turk naar buiten komen. Zijn gezicht is rood aangelopen, en hij is in het gezelschap van nog een man, een Hollander. Beide mannen lopen in zijn richting en passeren hem. Mark houdt zijn gezicht afgewend, en volgt ze vervolgens op korte afstand. Ze zijn druk in gesprek. Mark heeft geen idee waarover. Ze lopen inderdaad door de achterste rij waarin verderop de vistent moet zijn. Daar aangekomen blijven de mannen nog even staan praten. Het personeel is bezig met de laatste klanten, en met het in bestelwagens stapelen van de overgebleven bakken met vis. Het ijs erin is vrijwel gesmolten. Mark speurt rond en ziet Stefan aanvankelijk niet. Dan ziet hij hem bij de naastgelegen tent een bakje gefrituurde vis staan eten. Stefan wenkt hem. Mark loopt achteloos verder en naar hem toe. ‘Dat is er een met geld op zak’, zegt Stefan op gedempte toon, ‘die gozer aan deze kant, die oudere Turk. Zeker een broer of zo van die Ali. En ze hebben in het midden een soort kassa of geldla, dat is niet goed te zien. Ze letten wel op, volgens mij’.
Mark beziet de situatie en mompelt: ‘We moeten afwachten tot ze ingeladen zijn en weggaan, goed kijken met wie het geld mee gaat. Als alles in de auto’s mee gaat vangen we bot, dan wordt het te lastig’. Stefan kijkt gespannen in de richting van de ijverige Marokkaantjes. ‘Ze zullen het wel verdelen over een paar personen. Een gaat er in de auto mee, de ander gaat te voet naar huis of naar een bankloket. Dat doen ze meestal. Ze zijn niet dom’.
Ali en de Hollander staan nog steeds te praten, maat het gaat nu rustiger en wat omzichtig. Ze schuiven beiden nog een broodje haring met uitjes naar achteren en lijken zaken te doen. ‘Dat is de leverancier van de vis’, peinst Mark. ‘Zeker een Schollekop. Waarschijnlijk gaat ie met een van de auto’s terug naar Scheveningen en met hem het meeste geld. Shit’. Eindelijk zijn de bakken met vis in de Transitbusjes geladen. De beide mannen lopen naar de zijkant en gaan zelf achter de kraam in gesprek met de andere Turk. Ze staan dicht bij elkaar en wisselen iets uit. Of het geld is, kunnen Mark en Stefan niet zien. De Marokkaanse knapen lijken de mannen in de rug te dekken, maar misschien is dat alleen maar schijn. De Hollander en de ‘broer’ van Ali stappen tenslotte in de busjes, die starten en een langzame poging doen om het marktterrein te verlaten. Ali blijft nog staan praten met twee achtergebleven jongens. De markt wordt steeds leger. Tenslotte gaan de drie mannen langzaam weg, te voet over de markt, richting Hoefkade.
Mark en Stefan volgen op enige afstand. De drie lopen heel rustig en zonder argwaan. De Turk praat nu weer voortdurend, en de jongens luisteren naar wat er uitziet als hoogdravende taal, misschien geeft hij wel instructies. ‘Hij heeft er inderdaad de wind onder’, denkt Mark. Verder richting Hoefkade wordt het steeds rustiger op straat. ‘Misschien moet een van ons hier een blokje omlopen, en een straat verderop weer aansluiten, aan de overkant’, oppert Stefan, ‘we vallen zo te veel op’. Mark twijfelt. Het schemert al behoorlijk. ‘Alleen is niet minder opvallend dan met zijn tweeën’, reageert hij. ‘We moeten van die twee kut-Marokkaantjes af. Die lijken wel mee te lopen tot aan zijn huis of bij zijn auto’.
De drie mannen slaan een hoek om en komen op de Hoefkade. Na zo’n vijftig meter blijven de drie voor de deur van een benedenwoning staan. De Turk lijkt aanstalten te maken de deur te openen, hij zoekt in zijn zakken, mogelijk naar sleutels. Daarop geeft hij de twee Marokkanen een hand, en zoekt naar het slot van de deur. De twee jongens lopen rustig verder en slaan gelijk de eerste straat links de hoek om. Een van de twee kijkt nog even om. Stefan bedenkt zich geen seconde, hij is op zo’n twintig meter van de deur, en stormt op de man af. Mark volgt hem op enkele meters. De man heeft de deur open en gaat naar binnen als hij de twee op zich ziet afkomen. Ali wurmt zich snel door de opening en duwt de deur dicht op het moment dat het lichaam van Stefan er tegen knalt. De Turk heeft geen verweer, hij bevindt zich pal achter deur en kan zich onmogelijk schrap zetten. De deur zwaait open en Stefan rolt boven op de Turk de gang in. De man schreeuwt, vloekt en tiert op de grond, hij geeft – zich afzettend tegen de muur – Stefan een klap in het gezicht die goed aankomt. ‘Polisi ara, polisi’, krijst hij naar achteren.
Mark stopt in de deuropening en ziet de vechtpartij voor zich. Hij sluit zo snel mogelijk de deur achter zich, als hij aan het eind van de gang een op het oog oude vrouw met hoofddoek verschrikt ziet staan kijken. Stefan lijkt het onderspit te delven tegen de razende Turk. ‘Godverdomme’, denkt hij, ‘dit loopt helemaal uit de hand’.
De vrouw rent terug naar achteren, de woonkamer in. Mark probeert over het vechtende duo heen te springen, maar komt daarbij ten val, krabbelt weer op en geeft daarbij de Turk een trap in zijn maagstreek. Hij is opeens heel helder, en rent achter de vrouw aan. Deze staat tegen de muur gedrukt van angst en schreeuwt iets in een mobiele telefoon. Mark slaat haar de gsm met een klap uit handen, en trapt deze waar ie gevallen is aan stukken. Hij staart naar de vrouw die hem met angstige ogen aankijkt. Even weet hij niet wat te doen. Het tumult in de gang gaat onverminderd door. Er worden rake klappen uitgedeeld en het klinkt alsof Stefan wel hulp kan gebruiken: ‘Mark, mark, haal die kankerturk van me af!’
Mark herstelt zich, kijkt om zich heen en ziet een vrouwenceintuur hangen aan een van de tafelstoelen. Hij pakt deze en gaat er mee naar de Turkse vrouw: ‘Ik doe je niks, alleen even vastzetten, we zijn zo weer weg’. De vrouw begint weer te krijsen, en bedekt haar gezicht met de handen. Mark grijpt haar bij een pols, draait de vrouw een halve slag waarbij ze met haar hoofd tegen de muur slaat en pakt daarna de andere pols. Hij trekt snel de riem om beide polsen achter haar rug en kwakt het zware lichaam achterwaarts op een van de stoelen. De riem haalt hij door een de spijlen van de stoel en trekt deze daarna vast tussen haar polsen. Hij is in een soort trance geraakt, het gaat heel snel, als in een droom, alsof het allemaal niet werkelijk gebeurt. Hij propt een theedoek in haar mond om het krijsen te stoppen. Hij moet Stefan ontzetten voor het te laat is. Voor de zekerheid gooit hij de vrouw met stoel en al omver. De vrouw kreunt en steunt op de vloer. ‘Gelukkig ligt er vloerbedekking’, denkt hij nog.
Stefan heeft zich verstapt bij zijn val door de deuropening, boven op de Turk. Deze is helemaal door het dolle heen en stomp en trapt waar hij kan. Een vuistslag treft Stefan midden in het gezicht en hij is een ogenblik als verdoofd. De Turk is zwaar gebouwd en komt maar moeizaam overeind. Stefan merkt dat Mark over hen heen struikelt, en vat moed. ‘Dat valt weer mee met die dooie!’ gaat er door hem heen. Hij laat zich naar een kant vallen om de slagen van de Turk te ontwijken, maar krijgt toch nog een paar slagen. Stefan ontploft. Hij drukt zich tegen de zijkant van de gang en stompt en trapt of zijn leven er van af hangt. ‘Hij zal deze Turk mollen, al is het het laatste wat hij doet’, schiet door hem heen. De Turk is even verrast en maalt met zijn armen in het luchtledige. Stefan probeert op te staan. Hij is jong en moet het hebben van zijn snelheid, zo realiseert hij zich. Hij probeert zich tegen de muur op omhoog te werken. Tegelijkertijd grijpt hij de naar de trappende benen van de Turk om die van zich af te houden. Stefan valt achterover langs de muur en trapt zich los. Hij springt op en voor hij het weet geeft hij – vloekend – de iets omhoogkomende Turk een enorme trap die het achterhoofd van de Turk treft. Deze zakt jammerend weer naar de vloer. ‘Godverdomme, godverdomme’, brult Stefan en geeft de man zo mogelijk een nog hardere tweede trap die niet helemaal aan komt. Hij hijgt als een paard en leunt tegen de muur, als Mark uit de woonkamer terug komt. Stefan gaat door met vloeken. Mark probeert hem te kalmeren, maar Stefan brult: ‘Waar was jij nou, godverdomme?’
‘Het geld joh, in zijn zakken, en dan wegwezen hier’, reageert Mark nu ook woedend geworden. Stefan kijkt hem aan als een waanzinnige: ‘Zie je wat hij gedaan heeft die teringturk?’ Hij vloekt weer. Zijn gezicht zit onder het bloed en een oog begint al helemaal blauw te worden. ‘Ik maak hem koud, die hond. Waar is die vrouw?’ vraagt hij vervolgens. ‘Maak je niet druk, die zit hier vastgebonden’, reageert Mark. ‘Ze hoeft jou niet te zien, het geld, daar gaat het om, kom op man’. Mark loop naar de gang. De Turk kreunt en er loopt een straaltje bloed over zijn voorhoofd, maar hij lijkt bij zijn positieven. ‘Til jij hem effe op onder zijn armen’, zegt Stefan, ‘dan maak ik hem even lichter’. Mark buigt zich over de man, en trekt hem omhoog. Stefan voelt in alle zakken en haalt een stapeltje bankbiljetten, een pistool en een portemonnee boven water. ‘Ha, hier is de poet’, gilt Stefan, ‘ik zei het je toch!’ en doet een stap terug. De Turk kijkt op en ziet Marks gezicht vlak boven hem. Hij kijkt eerst glazig maar dan langzaam helder. ‘Hé Mark, jongen, wat doe jij hier, ik woonde vroeger bij jullie in de straat, weet je nog?’ zegt hij zacht en moeizaam uit zijn woorden komend. ‘Je kent me toch, ik heb nog met jullie op straat gevoetbald?’ Mark verstijft en staart in het natte en gezwollen gezicht. Stefan lijkt het niet gehoord te hebben, hij is opzij gestapt, telt gebiologeerd de briefjes en schudt de portemonnee leeg.
De Turk praat door tegen Mark. ‘Waar ben jij in terechtgekomen, je kent me toch, dit is niks voor jou, jongen, ga weg met die gek, laat me gaan, ik zeg niks tegen de politie als je me nu laat gaan, neem die gek mee...’ De man zakt weg. ‘Wat loopt die vent tegen je te lullen’ zegt Stefan opeens en geeft de man nog een geweldige schop. Het gezicht van de Turk wordt onherkenbaar. Mark laat de Turk vallen, doet een stap terug en sleurt Stefan weg. ‘Jij, jij bent gestoord man’, barst hij uit tegen Stefan. ‘Dit is zo dom, wat moeten we nu? Die man komt bij mijn vader uit de straat, hij kent me. We zijn er gloeiend bij’.
‘Nou’, reageert Stefan nog steeds woedend, ‘mij zal hij ook wel herkennen, later, we moeten hem koud maken, dat verdiend die hond ook’. Mark blijft tussen de man Stefan staan: ‘Ze moeten jou opsluiten, man, je bent gestoord. Je vermoordt iemand niet voor een paar rotcenten’. Stefan verstijft, zijn ogen spuwen vuur.
Op dat moment wordt er aangebeld, en een zwaar allochtoonse stem roept. ‘He Ali, ik zag die twee jongens niet meer, die vanaf de markt achter ons aanliepen. Ik kom even kijken. Is alles in orde?’ ‘Dat is een van die kut-marokkaantjes’ mompelt Stefan, ‘wat een puinbak’. ‘Ik ga er vandoor’, mompelt Mark, ‘ik heb hier niks mee te maken’. Hij loopt in rustig tempo naar de voordeur, trekt die met een ruk open en stort zich naar buiten. Hij schampt buiten de verbouwereerde Marokkaan en zet het op een lopen. Na enkele meters hoort hij binnen een schot.
Als hij even later omkijkt ziet hij dat Stefan achter hem aan komt.
Op zwerftocht
Stefan K. besluit te gaan liften, maar weet eigenlijk niet waarheen. Hij wil weg uit de warme en benauwde provinciestad en de zee lijkt hem wel wat, het is er altijd koeler en de nachten zijn er warmer (zo vertelde hij later de politie)... Hij had eerder een vriend ‘Peter’ gevraagd mee te gaan, maar die zag niet veel in het avontuur, maar Stefan vermoedt dat hij in feite net een slag geslagen heeft, en er even warm bij zit. Het gaat Stefan niet om een andere stad, hij wil weg uit de provincie. Hij begint er zo langzamerhand te bekend te worden, en vroeg of laat zullen ze bepaalde zaken met hem in verband gaan brengen. Het slapen in het Wilhelminapark begint op te vallen.
‘Waar kan ik je afzetten, waar moet je zijn’, vraagt chauffeur als ze de Hoornbrug over gaan en die vraag overvalt hem. Hij herstelt zich snel: ‘In het centrum, maar zet me maar af bij een tram of bus in die richting, als je daar niet komt. De chauffeur noemt de Rijswijkseweg als mogelijkheid om uit te stappen...
Later op de avond komt Stefan aan bij het Centraal Station. Hij heeft al snel in de gaten waar iedereen rondhangt. Blijkbaar is er kort geleden ook iets te eten uitgepakt of uitgedeeld, overal ligt rommel en papier. Het ziet er niet florissant uit, vooral junks of zwervers met Albert Heijntassen vol hangend aan het stuur of naast een fiets op de grond. Er wordt weinig tot niets gezegd. Hij besluit na enige tijd om iemand aan te spreken, en richt zich quasi-ongeïnteresseerd tot een wat jonger iemand die er nog redelijk uitziet en niet helemaal stoned is of in apathie is weggezonken. ‘Heb ik wat gemist’, zegt hij wijzend op de troep op de grond. ‘Ik heb eigenlijk best honger’.
De jongeman kijkt hem van enkele meters afstand wezenloos aan en zegt: ‘Ze komen hier ’s avonds soep met broodjes brengen, de soepbus, ze zijn net weg’. ‘Oh, dat is jammer’, zegt Stefan. De jongen zwijgt en hangt lusteloos tegen het hek van perron 1 buiten onder het Prins Bernhardviaduct. Dit schiet niet op, denkt Stefan. ‘Weet jij waar ik vannacht misschien kan slapen en wat kan eten’, vraagt hij. ‘Ik kom van buiten de stad’. De jongen kijkt op en peilt Stefan zo’n beetje, maar nog steeds zonder veel interesse. ‘Ik slaap wel eens in het centrum in een kraakpand, als ze me tenminste binnenlaten, je kan daar geen peil op trekken bij die krakers’. Stefan ziet een aanknopingspunt en zegt nu ontspannen: ‘Kunnen we daar niet effe gaan kijken, of straks, ik kom uit de krakerscène, ik weet wel hoe je die gasten moet inpakken met dat geouwehoer over politiek en zo’. De jongen zwijgt eerst en zegt dan: ‘Zou kunnen. Heb je geld om nog ergens iets uit de muur te trekken, het was weer mager vanavond’. ‘Ik heb nog wel een tientje en wat klein geld’, reageert Stefan. ‘Misschien kunnen we onderweg naar dat kraakpand nog iets uit de muur trekken. Jij weet hier vast wel waar je moet zijn.’ ‘Nou’, zegt Mark, het gemakkelijkste is hier het Station zelf, ze hebben er een “patatje oorlog” bij zo’n kraam.’ ‘O.K.’, zegt Stefan, ‘ik heb ook trek, dat doen we dat eerst’. Hij stelt zich voor: ‘Ik ben Stefan’. ‘Mark’, zegt de ander vlak.
In de hal van het Centraal station zijn maar weinig mensen. Het is een en al chaos en verbouwing die er gaande is, om de trams boven en treinsporen te verleggen. Stefan wijst op de Burger King. ‘We kunnen ook een Big Mac halen’, zegt hij. ‘Nee joh’, antwoordt Mark, ‘dat is troep, zo’n vette hap wil ik niet’. Bij de kraam staat verder niemand en Stefan bestelt. Een zwerver die om een halve euro vraagt wordt door beiden vernietigend weggekeken.
Ze eten zwijgend en na afloop lijkt Mark te aarzelen. ‘Wat is er joh?’ vraagt Stefan, ‘kom op, jij hebt je patatje, ik wil naar dat kraakpand’. Mark komt eindelijk in beweging. ‘O.K.’, zegt hij. ‘Laten we maar gaan kijken, het is verderop in de stad, de Stille Veerkade en dan een zijstraat ergens links. Ik weet niet of ze ons nemen. Ze hebben al eens gezegd dat het geen hotel is of een opvang voor daklozen’. Stefan zwijgt en begint te lopen. Onderweg wordt er nauwelijks een woord gewisseld. Bij het kraakpand aangekomen zegt Mark: ‘Bel jij aan, jou kennen ze nog niet, hang maar een zielig verhaal op over dat je van buiten de stad komt en dat het maar voor een nacht is en zo’.
Stefan belt aan. Er is wel ergens licht in het huis met drie etages, maar beneden is het donker. Eerst gebeurt er niets, maar na nog een keer bellen, gaat het licht op de trap aan en komt er iemand naar beneden stommelen. Het gaat niet al te snel, maar tenslotte gaat de deur open. Mark heeft zich wat terzijde van de deur opgesteld, met een capuchon over zijn hoofd en kijkt toe. ‘Shit’, denkt hij, dat is die gozer van de vorige keer, die maffe Hanekam, dit wordt lastig. Die zag hem toen ook al niet zitten. Stefan voelt zich wat onzeker, en begint joviaal: ‘Goeieavond, joh, wat een mooi pand hebben jullie hier, zo midden in de stad! Volgens Mark is het een kraakpand, nou en ik ben ook kraker, ik kom van buiten de stad. Zouden we niet een nachtje hier kunnen slapen...?’
De Hanekam kijkt wat verstoord van de en naar de ander. Mark hoopt maar dat hij niet herkend wordt van een vorige keer. ‘Ja, daar zijn wij niet voor’, zegt hij aarzelend. ‘We hebben alleen af en toe krakers die overnachten, als we een actie of een kraak opzetten. Den Haag heeft opvang genoeg voor daklozen’. Stefan voelt zich kwaad worden, maar laat niets merken: ‘Ja, maar ik ben zelf ook een actieve kraker uit Utrecht en hier in de stad ga ik zeker actief mee doen’. ‘Ik weet van niets’, zegt de Hanekam vlak, ‘en... eh... eigenlijk ga ik er ook niet over, ik ga het boven wel even overleggen’. Terwijl hij de deur wil sluiten, springt in de gang de tijdschakelaar met een ‘knap’ om, en opeens is het pikkedonker. ‘We wachten wel even in de gang, Het wordt al koud als je een tijd buiten staat’, zegt Stefan en heeft tegelijk zijn voet al tegen de deur gezet. De Hanekam is wat verbouwereerd en aarzelt. Mark zegt – nu pal achter Stefan: ‘Ik ben hier al een keer eerder geweest, ze kennen me, niets aan de hand joh, ik kom zelf uit Den Haag. We wachten effe binnen’.
Mark en Stefan staan binnen. De Hanekam wijkt terug, drukt het licht weer aan, en voelt zich zichtbaar overdonderd. ‘Nou ja, wacht dan maar even hier. Ik wil niemand beledigen, maar we hebben regelmatig lui hier aan de deur laat op de avond, soms stom dronken’. Hij kijkt zonder doel rond in de leeg hal en naar de achter in opgestapelde lege kratten en stapels oude kranten. Het is er rommelig, vuil en slecht onderhouden. Stefan probeert hem gerust te stellen: ‘We zijn al de hele avond buiten. En dan krijg je het na een tijd toch koud. We wachten hier op je’. De Hanekam lijkt het nog niet helemaal te vertrouwen, maar loopt langzaam naar de trap en gaat naar boven. ‘Zo’ zegt Stefan, zodra de Hanekam buiten gehoorafstand is: ‘Mij krijgen ze vannacht niet meer op straat’. Mark zwijgt. Hij voelt zich wat ongemakkelijk. Hij wil hier nog vaker kunnen komen. Dat ze hem als een dakloze zien, maakt hem niets uit. Zijn ouders hebben hem weer eens op straat gezet na het zoveelste conflict over geld, werken, en hoe het allemaal wel niet hoort volgens die zeikerds...
De hanenkam blijft enige tijd weg. Hij komt terug met een iets oudere wat dikkige vrouw gehuld in weinig flatteuze kleding. ‘Daar zullen we de moeder-overste van de krakers hebben’, peinst Stefan, maar hij stelt zichzelf en Mark keurig voor. ‘Ik ben Dora’, zegt de vrouw en dit is Roald en ze wijst vaag naar de Hanekam. ‘Hij heeft al gezegd dat we niet aan opvang doen, waar komen jullie eigenlijk vandaan, voor een nacht kan het wel’ zegt ze vlak. ‘We hebben geen plan voor een grote kraak deze week, dus je kan ook niet veel doen’. ‘Loop maar mee naar boven, we hebben daar nog een zijkamer leeg met wat matrassen en zo’.
‘Ah, mooi’, zegt Stefan, ‘maar we zouden best een kraak kunnen doen, jullie kennen vast wel een paar leegstaande panden, dan hebben we ook gelijk zelf onderdak’. De vrouw reageert niet meteen en monstert het tweetal. ‘Jullie hebben niet de politie achter je aan, hé, of zo, dat kunnen we hier niet hebben?’, zegt ze vervolgens. Markt valt in en legt uit dat hij uit Den Haag zelf komt en thuis even wat problemen heeft, en probeert haar gerust te stellen. Hij vindt die Stefan wel handig om het voortouw te laten nemen.
‘En waarom vinden jullie kraken een goede zaak, behalve dat je nu zelf even een dak boven je hoofd nodig hebt’, vraagt Roald onverwacht. Hij is duidelijk politiek gedreven en lijkt minder praktisch ingesteld dan de vrouw. Stefan ruikt zijn kans. ‘Nou, het is toch duidelijk dat iedereen het recht heeft op een behoorlijk dak boven zijn hoofd, ook als je geen geld hebt of een knappe kop, of een pa met een vette bankrekening. Dat zou een mensenrecht moeten zijn, weet je wel “goed wonen”, vrijheid van meningsuiting, dat soort dingen. Dat geeft de mensen zelfrespect.’
De Hanekam monstert hem even en lijkt niet erg onder de indruk. ‘Vrijheid van meningsuiting heeft er niets mee te maken’, stelt hij. ‘Daar heb je geen geld voor nodig’. ‘Natuurlijk wel’, reageert Stefan. ‘De media bepalen tegenwoordig wat mensen nog weten en wat ze denken. En wie heeft tegenwoordig alle media in handen? Nou dan. De rijken hebben altijd de mond vol over rechten als het ze goed uitkomt, meer snelwegen, overal maar kunnen bouwen, en natuurlijk minder regels voor ondernemers. Maar als het er om gaat dat we die rechten of de welvaart eerlijk moeten delen, nou, dan geven ze niet thuis. Dan moet je er opeens zelf voor gewerkt hebben. Wat een gelul. Zelf proberen ze vooral met speculeren rijk te worden. Het is een hypocriete bende, die lui’.
Mark doet alsof hij er niets mee te maken heeft. De Hanekam zwijgt en de discussie valt stil. Op de eerste etage aangekomen wijst de vrouw hun de zijkamer. ‘We hebben nog wel een pilsje voor hen toch?’ vraagt ze aan de Hanekam, ‘maar hou het verder rustig’.
Mark en Stefan laten zich vallen op de oude matrassen in de kamer. ‘Pfffoe’, zucht Stefan. ‘Dat is in ieder geval een nachtje onder de pannen. Morgen moeten we weer verder. We moeten iets bedenken joh, om aan geld te komen, voor eten en als het echt nodig is voor onderdak in een nachtopvang of zo. Hoe werkt dat hier in Den Haag, weet jij dat niet?’
‘Geen idee’, zegt Mark. ‘Ik betaal niet voor mijn onderdak. Ik kan desnoods nog wel bij een paar vrienden slapen verderop in de stad. Als het echt niet lukt probeer ik gewoon via de buren bij mijn ouders binnen te komen. Maak je niet zo druk’. ‘Maar hoe kom jij dan aan je geld om elke dag wat te eten? Zonder onderdak krijg je tegenwoordig ook al geen uitkering meer, die fooi voor de armen’.
Mark leunt tegen de muur en wacht op het beloofde pilsje. ‘Je moet zo weinig mogelijk risico nemen om aan geld te komen’, zegt hij. ‘Ik heb wel eens een vrouwtje bij de pinautomaat wat geld afgepakt, je weet wel, ik stond er ook rustig te wachten, en dan het geld snel uit d’r handen trekken als ze het sloom in d’r portemonnee probeert te stoppen. En dan wegwezen. Kraait geen haan naar in dit land’. ‘Nou, en wat heb je dan, twee briefjes van twintig zeker?’ reageert Stefan wat smalend. ‘We moeten iemand vinden die veel cash op zak heeft. Nee joh, ik heb daar nog eens over nagedacht. Je hebt hier toch een grote markt met veel kooplui? Daar moeten we eens gaan kijken’. ‘Wat verhandelen ze dan op de markt waar veel geld in zit? Je moet het niet hebben van de man met groente en fruit, of van die tweede hands kleding die ze daar als nieuw aanbieden. Dat schiet niet op’, reageert Mark. Stefan denkt er zichtbaar wat geërgerd over na. ‘We onderschatten die lui. Er zit veel meer geld onder dan je denkt, in witgoed, audio, video, computers, Perzische tapijten en zo. Handelaren, desnoods Turken die hun drugsgeld op de markt witwassen, daar zit heel veel cash geld. Ze gaan niet eens naar de politie als ze het kwijt zijn. Laten we er eens naar toe gaan en bijvoorbeeld een paar aankopen doen die we daarna weer intrekken. Om te zien wat voor portemonnee ze trekken...!’ Stefan raakte steeds meer in zijn element.
Op de markt aangekomen schrikt Stefan van de drukte. Tussen de lange rijen kramen drommen mensen samen van allerlei etnische afkomst. Maar het zijn toch vooral donkere tinten wat hij ziet. Het gaat traag, heel traag vooruit in de massa, het is file-lopen. Stefan moet terugschakelen: ‘Wat een tempo zeg, gaat dat altijd hier zo traag, zo heb je de hele middag nodig om de markt over te komen, je kunt wel zien dat het volk hier alle tijd heeft’, moppert hij. ‘Maak je niet druk joh’, reageert Mark, ‘wij hebben ook alle tijd, hoe denk jij nou iemand te vinden als je niet de tijd neemt en goed rondkijkt?’ Hij zwijgt.
De kooplui van Haagse snit prijzen hier en daar luidruchtig hun waren aan in onvervalst plat Haags. Maar het zijn er niet heel veel meer, de originele Hagenezen. Onder de buitenlanders wordt nauwelijks geschreeuwd om iets aan te prijzen.
De rijen kramen aan beide zijden strekken zich onafzienbaar voor hen uit. Er heerst kabaal, dat soms wegzakt tot normale stemmen op afstand of in de achtergrond van de volle en ondoorzichtige kramen. Het lijkt soms kramen achtereen veel van hetzelfde: rekken en tafels vol kleding gepresenteerd voor spotprijzen, parafernalia waarbij je niet weet wat je er mee zou moeten, groenten en fruit, vooral die kramen gaan maar door. Halverwege ergens een slagerij in een te clean stenen gebouw waar je echt geen broodje Shoarma zou willen kopen. Stefan zucht diep: ‘Hoe halen we hier in godsnaam een “vette” koopman uit’, zegt hij. ‘Dat zal nog niet meevallen’. Menige koopman van de wat betere zaken, staat helemaal achterin en daar soms ook nog achter iets van een toonbank. Zijn of haar jonge helpers zwermen voor hem uit en proberen voorin de klanten te lijmen.
‘Wat zijn hier de dure kramen, eigenlijk, we moeten een beetje gericht zoeken’ zegt hij tegen Mark. Mark haal zijn schouders op: ‘Weet ik dat, misschien hier aan het begin, daar is een juwelier, verder zou ik het niet weten’.
Aan de rij lijkt geen einde te komen. Op sommige plekken kun je dwars doorsteken, en kom je in een volgende onafzienbare rij met kramen. Op een van de hoeken zijn stapels zakken aardappels opgestapeld, maar er worden ook bakken vol met losse verkocht. Het is groot Istanboel aan de oude Herman Costerstraat, maar ook India, Uttar Pradesh en China zijn er vertegenwoordigd. Op een andere hoek koopt Stefan voor een euro een paar ons kastanjes die later blijken al half verrot te zijn. ‘Wat een oplichters zijn het die Hagenezen’, zou hij later woedend tegen Mark spuwen. Mark vond die reactie toen al overdreven.
Aan kastanjes had Stefan goede herinneringen van vroeger, hij kocht ze met zijn vader op de markt in Bunnik, ze rustig met een mesje open peuteren en opeten, en tegelijk luisteren naar de zelfopgenomen muziek op zijn cassetterecorder. ‘To my fathers house’ bijvoorbeeld, van de Les Humpry singers kreeg er mythische proporties. Zijn broers vonden het ouwelullenmuziek. Tegenwoordig is hij meer van de metal, of techno.
Mark slentert achter Stefan aan. Hij kent de markt wel van toen hij nog bij zijn ouders woonde aan het betere deel van de Hoefkade. Het is er voor hem altijd vol, zwart en lawaaiig geweest. Hij weet niet beter. Maar met een paar maffe vriendjes uit de straat wel gezellig. Op zoek naar, ja op zoek naar wat eigenlijk? Mobieltjes, kleding soms, maar eigenlijk was het vooral om wat te doen te hebben en om achter de jonge wat sletterige meiden in te strakke kleren aan te lopen, en dan proberen om – via elkaar – met ze in contact te komen: ‘Moet je die daar in die strakke jeans zien, die ene knalt er bijna uit, kunnen we ergens mee helpen, meiden?’ Niet dat het veel opleverde, het bleef meer bij uitdagen en provoceren van de typjes die reageerden op de groep.
Zijn ouders vonden het al lang niets meer, de markt, en zagen hem er liever niet heen gaan. Veel verkeerd volk, allemaal te lui om te werken. vonden ze. Maar ja, Mark liet en laat zich weinig vertellen. Altijd dat gezeik van die ouwelui. Laatste keer had hij echt bonje met die ouwe, die had gezegd: ‘Waar was je nou gisteravond laat, weer eens om vier uur thuis komen, terwijl je zakgeld zoals altijd al lang op is. Ga verdomme eens je best doen op school voor je er af getrapt wordt!’
Mark had niet gereageerd. Discussie liepen toch alleen maar uit de hand. Zijn vader was buschauffeur bij de HTM en ‘mijn god’ wat een wereld moest dat zijn: die onbeschofte jongelui ’s avonds laat in je bus, wat je naar je hoofd kreeg geslingerd, hele en halve dreigementen, werken in het weekend, de wisselende werktijden...
‘Hou er dan mee op man’, had Mark al vaker tegen hem gezegd, maar zijn vader kon niets anders. Niets geleerd en twee linkerhanden, dan kon je altijd nog bij de HTM komen. En dan de drank die zijn vader nam, ook voor het begin van een late dienst, en die hij wegmoffelde met een of andere mondspray. De hypocriet, een gevaar op de weg was het met al die mensen in de bus. En dan hem, Mark, maar bekritiseren. Het was op zich wel gemakkelijk thuis wonen, je natje en je droogje op tijd, maar voor de rest was het oeverloos gezeik, of wegwezen of leren afzien. Hij had er al langer geen zin meer in, was weggelopen, en had de koptelefoon opgezet met het volume hoog. Zijn vader was kwaad geworden en Mark had hem goed in de gaten gehouden om op tijd weg te wezen. Hij kon soms losse handjes hebben, die ouwe gek. Het was begin zomer en Mark gezegd: ‘Ik heb het helemaal gehad hier, ik zoek het zelf wel uit’. En dan moet je dat ook waarmaken, in ieder geval een tijdje tot ze weer ongerust worden. Sindsdien was hij dakloos, maar ach, het was zomer geweest. Nu werd het lastiger.
Stefan ziet het niet meer zitten op de overvolle markt. ‘Ja, zo’n juwelier, nee dat is mij te tricky, denk je dat die geen camera’s en beveiliging hebben? En volgens mij staat “de kit” daar ook gewoon te posten’. ‘Dat heb ik ook wel gezien’, reageert Mark, ‘het was jou idee om naar de markt te gaan. ik zoek het hier niet direct, met al die mensen’.
Stefan raakt geagiteerd: ‘Jij komt alleen met die pinautomaat aanzetten, alsof dat opschiet. Wat heb je eigenlijk zelf aan klappertjes gemaakt?’ Marc voelt zich wat in het nauw gedrongen. Hij is niet zo’n grote crimineel, en wil zich ook niet laten uitdagen. ‘Meer dan genoeg om iedere week aan mijn geld te komen, zonder te werken en ik heb geen uitkering nodig’.
‘Ja, ja, wat zakkenrollen zeker en een paar oudjes bij de pinautomaat’, snuift Stefan. Ik heb in Utrecht met een paar jongens echt een paar forse kraken gezet, eentje ’s nachts bij een dure kledingzaak en een bij een juwelier. Allebei gewoon gelukt. Dezelfde dag eerst goed kijken hoe alles in elkaar zit en wat je wil ophalen. ’s Nachts even de goeie ramen ingooien, als het kan aan de achter- of zijkant van het pand, alleen pakken wat je hebt afgesproken, snel wegwezen en direct rustig uit elkaar gaan. Daar kan geen alarm of politie tegenop. Alles op bestelling geleverd, dan krijg je er nog wat voor. Ik leef er al zo’n beetje de hele zomer van’.
Mark zwijgt. Hij vindt Stefan maar een opschepper, maar misschien heeft hij toch wel meer ervaring. Hij heeft iets te veel lopen sappelen met winkeldiefstalletjes, een pinautomaat, wat ‘klein geld’ en de broodjes onder het PB-viaduct de afgelopen zomer. Hij heeft niets meer van zijn ouders gehoord, en wil niet met hangende pootjes terug naar huis.
‘Ja ja’, zegt hij. ‘Nou, dan ben je een hele jongen, zeg jij dan maar hoe we het hier op de markt gaan aanpakken. Ik zie hier nog weinig cash. Misschien aan het einde van de dag als ze gaan opbreken, dat je aan de kramen kunt zien wie een goeie dag had. Het is nu nog te vroeg’. Stefan realiseert zich dat Mark een punt heeft. Hij wil er ook wel even tussen uit. ‘Dat is wel waar’, bromt hij, ‘weet je wat, we gaan eerst even een van die cafés in hier, aan het begin van de markt, een pilsje drinken, even goed opletten daar, misschien zitten de echte jongens met geld er al lekker te zuipen. Die staan zelf niet de hele dag in zo’n tent!’ Mark voelt er wel voor. Hij wordt apathisch en ellendig van zo’n markt. Het is pas halverwege de middag. Dan zijn we daarna wel ‘blut’ denkt hij nog, maar ach. En het kan inderdaad wat opleveren.
Ze lopen terug naar het begin van de markt en gaan het eerste – op het oog drukke – café binnen. Het is er erg rokerig en warm en op een paar plaatsen aan de bar wordt in groepjes druk gepraat. Sommigen zijn al aardig in de olie. Iedereen kent iedereen zo lijkt het, Stefan bestelt twee pilsjes met een ‘kopstoot’ en de barman bekijkt het tweetal met enige nieuwsgierigheid. Mark realiseert zich dat hij daar even niet aan gedacht had, het zou kunnen dat ze hem en Stefan later herkennen uit het café. Hij stoot Stefan aan. ‘We moeten hier niet opvallen, joh, dit is inteelt hier’, zegt hij. Ze lopen naar een tafeltje bij het raam en kijken naar buiten. Enige tijd gebeurt er weinig. Het nazomerzonnetje is eindelijk aan het wegzakken boven de huizen.
De gesprekken gaan door en worden langzaamaan ook verhitter. ‘Het zijn zakkenvullers, die van de gemeente Den Haag, heb je gehoord wat ze met de “staanplekken” gaan doen en met de prijzen als die slagerij weg is?’ hoort hij boven het tumult uit. ‘En het uitbreiden van de parkeergarage hier zodat er meer Hollanders komen. Ik ben helemaal voor die integratie van jullie... maar niks.’ Het antwoord gaat verloren in hilariteit.
Stefan is opeens gespitst. ‘Dat kan jij makkelijk hebben met je visjes hier, Ali, dat is toch een regelrechte goudmijn, zonder dat je wat doet’, roept iemand de eerste spreker toe. ‘Er loopt geen tent beter dan die van jou, man, en dat met die achterlijke visprijzen. Biefstuk is goedkoper tegenwoordig’.
Stefan probeert de toegesproken persoon onopvallend beter in het vizier te krijgen. Het is nogal joviale dikke man, met rood hoofd en wat glazige ogen, zo achter in de vijftig. Een Turk zo te zien. ‘Wat doet een Turk in de vishandel’, vraagt hij zich af. Ze nemen ook alles over, die buitenlanders. Hij wenkt Mark met zijn ogen het gezelschap mee te volgen. De Turk bestelt nog een rondje en kijkt wat half in het rond wie hij nog iets zal aanbieden. Mark en Stefan vallen buiten zijn benevelde blik. ‘Ja maar ik heb er ook – hoe noemen jullie dat – de wind onder bij die Marokkaanse jongetjes in mijn zaak. Dat is wel wat anders dan bij jou, Hollanders zijn toch gewoon lui, wat verkoop jij nou op een dag met je zielige appels en peren? Jouw mensen zijn te lui om uit hun ogen te kijken’. ‘Hè hè’, protesteert de ander, ‘zo kan het wel weer, de regering zegt tegenwoordig zelfs dat je vis moet eten, jij hebt gewoon mazzel met je kabeljauw en sprotjes’. Het blijft gezellig.
‘Ga jij nog een paar biertjes halen?’, zegt Stefan tegen Mark. ‘En probeer aan de bar met hem aan te pappen. Zeg maar dat je hoorde over die vis van hem en dat je wel trek hebt, dan gaat ie zo praten over die zaak van hem’. Mark aarzelt. Hij is niet zo’n populair type. Ergens komt de man hem wel bekend voor. ‘Dat is niet nodig joh, het loopt tegen half vijf. Hij gaat zo zelf terug naar die tent van hem om af te sluiten. Misschien neemt hij dan de kas mee. Dan volgen we hem’.
‘Dat is wel zo’, zegt Stefan. ‘Hij gaat zo terug naar die kraam van hem. Misschien is het slimmer als een van ons alvast op zoek gaat naar die tent. Dan weten we hoe het daar aan toe gaat met het geld, en vallen we hier minder op’. Mark voelt dat hij vooruit wordt gestuurd en dat Stefan het initiatief neemt. Dat bevalt hem niet. ‘Jij hebt nog wat geld joh, als jij nou wat visjes gaat kopen bij die kraam, dan wacht ik die Turk hier buiten op. Ik kijk gewoon wat rond bij de kramen hier vlakbij. Je hebt gelijk: als we hem met zijn tweeën volgen ’t café uit, dan zal dat opvallen’. Stefan bromt wat. Hij was liever bij de Turk gebleven. Een vette vis zo op het oog. ‘Hebben we daarstraks zijn viskraam gezien?’ vraagt hij nog, maar hij herinnert zich de plek weer. De enige echt grote tent met veel personeel. ‘Oké’. Dan zegt hij nog wat aarzelend: ‘Zorg dat je hem niet uit het oog verliest, er is hier maar één uitgang de markt op’.
Ze gaan naar buiten. Mark blijft onopvallend hangen bij een van de kramen vlakbij, Stefan loopt rustig door. Mark bekijkt met een half oog de gsm’etjes die in een van de tenten liggen en houdt schuin een half oog op de deur van het café. Hij is er niet helemaal gerust op. Die Stefan was nogal impulsief bij dat kraakpand. En dan dat gedram over hoe je aan geld kunt komen. Mark heeft zelf dringend enig geld nodig, maar hij wil geen geweld gebruiken als het even kan. Dat kan gemakkelijk uit de hand lopen en dan heb je de politie echt op je dak. Een gladde beroving, zonder echte handtastelijkheden en zonder dat het iemand opvalt is veel slimmer. Die aangiften gaan bij de ‘wouten’ zo op de grote stapel.
Opeens ziet hij de Turk naar buiten komen. Zijn gezicht is rood aangelopen, en hij is in het gezelschap van nog een man, een Hollander. Beide mannen lopen in zijn richting en passeren hem. Mark houdt zijn gezicht afgewend, en volgt ze vervolgens op korte afstand. Ze zijn druk in gesprek. Mark heeft geen idee waarover. Ze lopen inderdaad door de achterste rij waarin verderop de vistent moet zijn. Daar aangekomen blijven de mannen nog even staan praten. Het personeel is bezig met de laatste klanten, en met het in bestelwagens stapelen van de overgebleven bakken met vis. Het ijs erin is vrijwel gesmolten. Mark speurt rond en ziet Stefan aanvankelijk niet. Dan ziet hij hem bij de naastgelegen tent een bakje gefrituurde vis staan eten. Stefan wenkt hem. Mark loopt achteloos verder en naar hem toe. ‘Dat is er een met geld op zak’, zegt Stefan op gedempte toon, ‘die gozer aan deze kant, die oudere Turk. Zeker een broer of zo van die Ali. En ze hebben in het midden een soort kassa of geldla, dat is niet goed te zien. Ze letten wel op, volgens mij’.
Mark beziet de situatie en mompelt: ‘We moeten afwachten tot ze ingeladen zijn en weggaan, goed kijken met wie het geld mee gaat. Als alles in de auto’s mee gaat vangen we bot, dan wordt het te lastig’. Stefan kijkt gespannen in de richting van de ijverige Marokkaantjes. ‘Ze zullen het wel verdelen over een paar personen. Een gaat er in de auto mee, de ander gaat te voet naar huis of naar een bankloket. Dat doen ze meestal. Ze zijn niet dom’.
Ali en de Hollander staan nog steeds te praten, maat het gaat nu rustiger en wat omzichtig. Ze schuiven beiden nog een broodje haring met uitjes naar achteren en lijken zaken te doen. ‘Dat is de leverancier van de vis’, peinst Mark. ‘Zeker een Schollekop. Waarschijnlijk gaat ie met een van de auto’s terug naar Scheveningen en met hem het meeste geld. Shit’. Eindelijk zijn de bakken met vis in de Transitbusjes geladen. De beide mannen lopen naar de zijkant en gaan zelf achter de kraam in gesprek met de andere Turk. Ze staan dicht bij elkaar en wisselen iets uit. Of het geld is, kunnen Mark en Stefan niet zien. De Marokkaanse knapen lijken de mannen in de rug te dekken, maar misschien is dat alleen maar schijn. De Hollander en de ‘broer’ van Ali stappen tenslotte in de busjes, die starten en een langzame poging doen om het marktterrein te verlaten. Ali blijft nog staan praten met twee achtergebleven jongens. De markt wordt steeds leger. Tenslotte gaan de drie mannen langzaam weg, te voet over de markt, richting Hoefkade.
Mark en Stefan volgen op enige afstand. De drie lopen heel rustig en zonder argwaan. De Turk praat nu weer voortdurend, en de jongens luisteren naar wat er uitziet als hoogdravende taal, misschien geeft hij wel instructies. ‘Hij heeft er inderdaad de wind onder’, denkt Mark. Verder richting Hoefkade wordt het steeds rustiger op straat. ‘Misschien moet een van ons hier een blokje omlopen, en een straat verderop weer aansluiten, aan de overkant’, oppert Stefan, ‘we vallen zo te veel op’. Mark twijfelt. Het schemert al behoorlijk. ‘Alleen is niet minder opvallend dan met zijn tweeën’, reageert hij. ‘We moeten van die twee kut-Marokkaantjes af. Die lijken wel mee te lopen tot aan zijn huis of bij zijn auto’.
De drie mannen slaan een hoek om en komen op de Hoefkade. Na zo’n vijftig meter blijven de drie voor de deur van een benedenwoning staan. De Turk lijkt aanstalten te maken de deur te openen, hij zoekt in zijn zakken, mogelijk naar sleutels. Daarop geeft hij de twee Marokkanen een hand, en zoekt naar het slot van de deur. De twee jongens lopen rustig verder en slaan gelijk de eerste straat links de hoek om. Een van de twee kijkt nog even om. Stefan bedenkt zich geen seconde, hij is op zo’n twintig meter van de deur, en stormt op de man af. Mark volgt hem op enkele meters. De man heeft de deur open en gaat naar binnen als hij de twee op zich ziet afkomen. Ali wurmt zich snel door de opening en duwt de deur dicht op het moment dat het lichaam van Stefan er tegen knalt. De Turk heeft geen verweer, hij bevindt zich pal achter deur en kan zich onmogelijk schrap zetten. De deur zwaait open en Stefan rolt boven op de Turk de gang in. De man schreeuwt, vloekt en tiert op de grond, hij geeft – zich afzettend tegen de muur – Stefan een klap in het gezicht die goed aankomt. ‘Polisi ara, polisi’, krijst hij naar achteren.
Mark stopt in de deuropening en ziet de vechtpartij voor zich. Hij sluit zo snel mogelijk de deur achter zich, als hij aan het eind van de gang een op het oog oude vrouw met hoofddoek verschrikt ziet staan kijken. Stefan lijkt het onderspit te delven tegen de razende Turk. ‘Godverdomme’, denkt hij, ‘dit loopt helemaal uit de hand’.
De vrouw rent terug naar achteren, de woonkamer in. Mark probeert over het vechtende duo heen te springen, maar komt daarbij ten val, krabbelt weer op en geeft daarbij de Turk een trap in zijn maagstreek. Hij is opeens heel helder, en rent achter de vrouw aan. Deze staat tegen de muur gedrukt van angst en schreeuwt iets in een mobiele telefoon. Mark slaat haar de gsm met een klap uit handen, en trapt deze waar ie gevallen is aan stukken. Hij staart naar de vrouw die hem met angstige ogen aankijkt. Even weet hij niet wat te doen. Het tumult in de gang gaat onverminderd door. Er worden rake klappen uitgedeeld en het klinkt alsof Stefan wel hulp kan gebruiken: ‘Mark, mark, haal die kankerturk van me af!’
Mark herstelt zich, kijkt om zich heen en ziet een vrouwenceintuur hangen aan een van de tafelstoelen. Hij pakt deze en gaat er mee naar de Turkse vrouw: ‘Ik doe je niks, alleen even vastzetten, we zijn zo weer weg’. De vrouw begint weer te krijsen, en bedekt haar gezicht met de handen. Mark grijpt haar bij een pols, draait de vrouw een halve slag waarbij ze met haar hoofd tegen de muur slaat en pakt daarna de andere pols. Hij trekt snel de riem om beide polsen achter haar rug en kwakt het zware lichaam achterwaarts op een van de stoelen. De riem haalt hij door een de spijlen van de stoel en trekt deze daarna vast tussen haar polsen. Hij is in een soort trance geraakt, het gaat heel snel, als in een droom, alsof het allemaal niet werkelijk gebeurt. Hij propt een theedoek in haar mond om het krijsen te stoppen. Hij moet Stefan ontzetten voor het te laat is. Voor de zekerheid gooit hij de vrouw met stoel en al omver. De vrouw kreunt en steunt op de vloer. ‘Gelukkig ligt er vloerbedekking’, denkt hij nog.
Stefan heeft zich verstapt bij zijn val door de deuropening, boven op de Turk. Deze is helemaal door het dolle heen en stomp en trapt waar hij kan. Een vuistslag treft Stefan midden in het gezicht en hij is een ogenblik als verdoofd. De Turk is zwaar gebouwd en komt maar moeizaam overeind. Stefan merkt dat Mark over hen heen struikelt, en vat moed. ‘Dat valt weer mee met die dooie!’ gaat er door hem heen. Hij laat zich naar een kant vallen om de slagen van de Turk te ontwijken, maar krijgt toch nog een paar slagen. Stefan ontploft. Hij drukt zich tegen de zijkant van de gang en stompt en trapt of zijn leven er van af hangt. ‘Hij zal deze Turk mollen, al is het het laatste wat hij doet’, schiet door hem heen. De Turk is even verrast en maalt met zijn armen in het luchtledige. Stefan probeert op te staan. Hij is jong en moet het hebben van zijn snelheid, zo realiseert hij zich. Hij probeert zich tegen de muur op omhoog te werken. Tegelijkertijd grijpt hij de naar de trappende benen van de Turk om die van zich af te houden. Stefan valt achterover langs de muur en trapt zich los. Hij springt op en voor hij het weet geeft hij – vloekend – de iets omhoogkomende Turk een enorme trap die het achterhoofd van de Turk treft. Deze zakt jammerend weer naar de vloer. ‘Godverdomme, godverdomme’, brult Stefan en geeft de man zo mogelijk een nog hardere tweede trap die niet helemaal aan komt. Hij hijgt als een paard en leunt tegen de muur, als Mark uit de woonkamer terug komt. Stefan gaat door met vloeken. Mark probeert hem te kalmeren, maar Stefan brult: ‘Waar was jij nou, godverdomme?’
‘Het geld joh, in zijn zakken, en dan wegwezen hier’, reageert Mark nu ook woedend geworden. Stefan kijkt hem aan als een waanzinnige: ‘Zie je wat hij gedaan heeft die teringturk?’ Hij vloekt weer. Zijn gezicht zit onder het bloed en een oog begint al helemaal blauw te worden. ‘Ik maak hem koud, die hond. Waar is die vrouw?’ vraagt hij vervolgens. ‘Maak je niet druk, die zit hier vastgebonden’, reageert Mark. ‘Ze hoeft jou niet te zien, het geld, daar gaat het om, kom op man’. Mark loop naar de gang. De Turk kreunt en er loopt een straaltje bloed over zijn voorhoofd, maar hij lijkt bij zijn positieven. ‘Til jij hem effe op onder zijn armen’, zegt Stefan, ‘dan maak ik hem even lichter’. Mark buigt zich over de man, en trekt hem omhoog. Stefan voelt in alle zakken en haalt een stapeltje bankbiljetten, een pistool en een portemonnee boven water. ‘Ha, hier is de poet’, gilt Stefan, ‘ik zei het je toch!’ en doet een stap terug. De Turk kijkt op en ziet Marks gezicht vlak boven hem. Hij kijkt eerst glazig maar dan langzaam helder. ‘Hé Mark, jongen, wat doe jij hier, ik woonde vroeger bij jullie in de straat, weet je nog?’ zegt hij zacht en moeizaam uit zijn woorden komend. ‘Je kent me toch, ik heb nog met jullie op straat gevoetbald?’ Mark verstijft en staart in het natte en gezwollen gezicht. Stefan lijkt het niet gehoord te hebben, hij is opzij gestapt, telt gebiologeerd de briefjes en schudt de portemonnee leeg.
De Turk praat door tegen Mark. ‘Waar ben jij in terechtgekomen, je kent me toch, dit is niks voor jou, jongen, ga weg met die gek, laat me gaan, ik zeg niks tegen de politie als je me nu laat gaan, neem die gek mee...’ De man zakt weg. ‘Wat loopt die vent tegen je te lullen’ zegt Stefan opeens en geeft de man nog een geweldige schop. Het gezicht van de Turk wordt onherkenbaar. Mark laat de Turk vallen, doet een stap terug en sleurt Stefan weg. ‘Jij, jij bent gestoord man’, barst hij uit tegen Stefan. ‘Dit is zo dom, wat moeten we nu? Die man komt bij mijn vader uit de straat, hij kent me. We zijn er gloeiend bij’.
‘Nou’, reageert Stefan nog steeds woedend, ‘mij zal hij ook wel herkennen, later, we moeten hem koud maken, dat verdiend die hond ook’. Mark blijft tussen de man Stefan staan: ‘Ze moeten jou opsluiten, man, je bent gestoord. Je vermoordt iemand niet voor een paar rotcenten’. Stefan verstijft, zijn ogen spuwen vuur.
Op dat moment wordt er aangebeld, en een zwaar allochtoonse stem roept. ‘He Ali, ik zag die twee jongens niet meer, die vanaf de markt achter ons aanliepen. Ik kom even kijken. Is alles in orde?’ ‘Dat is een van die kut-marokkaantjes’ mompelt Stefan, ‘wat een puinbak’. ‘Ik ga er vandoor’, mompelt Mark, ‘ik heb hier niks mee te maken’. Hij loopt in rustig tempo naar de voordeur, trekt die met een ruk open en stort zich naar buiten. Hij schampt buiten de verbouwereerde Marokkaan en zet het op een lopen. Na enkele meters hoort hij binnen een schot.
Als hij even later omkijkt ziet hij dat Stefan achter hem aan komt.
Abonneren op:
Posts (Atom)